bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen,
waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van
diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door
geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren,
waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs
stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is
in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen
doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds
vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit
gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen:
die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid,
vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der
Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die
Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken
verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te
verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde
blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door
haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund
en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die
oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen
charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij
spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet,
hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”
„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls
ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is
niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de
tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te
vullen.”
„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene
schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als
een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende
oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder
inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar
van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De
zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met
doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat
aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”
De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar
Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos
te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles
gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te
volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste
deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke
onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn
innerlijk geluk had kunnen wijden.
De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek
een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.
Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:
„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij
heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene
gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij,
Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst
de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die
weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas
de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de
feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden,
van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en
van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd
en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot.
Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der
weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de
duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs,
zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen
van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de
een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten
zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd
en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der
Corybanten had gadegeslagen.”
Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van
Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat
Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.
„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen
gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb,
verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden
waren.”
Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen
Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:
„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne
onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te
doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te
verlangen. Welnu, luister:
„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten
jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven
des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte
verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek
gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door
de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige
nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking
zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te
sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort
pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke
zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou
afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte
aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in
het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag
er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd
verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen
en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden
bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij
zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling,
ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke
zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het
heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner
steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op
eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem
mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de
mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn
gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling
voor elk gevaar beveiligd zijn.
„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij
bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag
droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik
af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou
bestijgen.
„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede
begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en
omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven
van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder
uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles
voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.
„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een
dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering
de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij
hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn
van haar dolle waanzin.
„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer
Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het
ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een
tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed
hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of
hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen
elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en
muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat
een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling
Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea,
moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij,
maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende
teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook
in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar
werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels
in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die
zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer
menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen
onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend
geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.
„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met
donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te
zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden
zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit
vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen
een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme
dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met
zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen
zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en
speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.
„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen
Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij
zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle
feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de
razenden opmerkte, onbewust na te doen.
„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren,
strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen
ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil,
doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte
dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich
daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.
„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den
panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de
handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de
overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286],
als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken
en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de
groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende
teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld
voor hunne oogen werd ten toon gesteld.
„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste
schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij
en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het
rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het
geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de
wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning.
Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te
rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele
uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar
reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los
en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat
alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden
onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo
verzwolg hem de dolle schaar.
„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.
„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten
als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.
„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en
wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top
was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten
hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig
verstaanbaars tot mijn oor doordrong.
„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep
zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende
klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht
voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.
„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans
opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het
tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder,
die in de verte ratelt.
„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap
Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn
Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon
mocht kunnen terugvinden.
„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de
pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.
„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor
mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den
Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles
voortbrengende Godin...”
Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.
De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.
Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond,
zeide hij:
„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering
aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken,
niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den
voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en
mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen
in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”
XIII.
DIOPITHES EN HIPPARETE.
Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den
Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de
triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen
der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik
naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en
langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend
neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de
verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van
het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht
had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de
betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den
gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles
staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van
Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne
onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de
aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot
overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.
„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in
Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet
bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij
voer?”
„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen;
slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te
vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de
schoone vrijheid van alle knellende banden.”—
Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.
„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de
staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt
gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering
gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de
vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben
weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de
hetaere van Milete.”—
Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het
gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij
niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek
van den Athener als eene gevangenis?”
„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij
werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan
dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”
„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze
voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”
„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere
zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de
echtgenoote van een Athener.”
Pericles was getroffen.
„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus
niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg
mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden
is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”
„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te
vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”
„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt
te verwezenlijken?” vroeg Pericles.
„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet
zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”
„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te
verwezenlijken?”
„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde
Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe
aan de geliefde hebt gegund.”
„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare
plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij
begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk.
Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”
„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te
erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik
dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de
slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de
mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest
in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige
eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”
„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en
kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen
zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat
uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken
kan?”
„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.
„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,”
zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het
oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde
zelve?”
„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam
Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het
voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te
spreken.—
De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige
beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene
triëre, om naar Chios te zeilen.
„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe
vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den
dichter Ion op Chios leeft?”
Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.
Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet
weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip
van Pericles terug te zien.
Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan
weinige ingewijden bekend was.
Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel
rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten
werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met
zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen.
Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door
eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van
zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig
gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste
mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed
op zijn vaderland uit.
Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen
mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter
was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste
de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn
geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed
van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios
eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat
de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg
zou staan.
Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand
tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter
der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die
poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles
benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de
beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.
Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios
vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke
onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld,
zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.
Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun
Chiïschen gastheer.
Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend
ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf,
naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in
zijne nabijheid te blijven.
De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de
vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk
te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone
van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia
gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene
vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te
leeren kennen.
Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst
steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die
beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de
koesterende zon.
Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste
vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden
zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in
dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk
gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden
gegund werd.
Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne
oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen
zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met
kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren
bekers.
Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de
bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot
zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den
Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene
trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste,
niet de schoonste der bloemen.
Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van
het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met
ongeveinsde hartelijkheid.
Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden
wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles
en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.
Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen
prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden
verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die
onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.