daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en
volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”
Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het
myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de
wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als
geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus
mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere
oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.
Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en
Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het
groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op
verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een
heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als
een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen
liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden,
Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan,
om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke
toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus
met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.
De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en
daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als
Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke
vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open
grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de
Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze
geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de
zinnen meester maakten.
Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten
uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten
zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op
rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare
zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van
gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die
allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem
en wenschte een orakel van hem te vernemen.
„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij
lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij
niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”
Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de
volgende orakelspreuk mede:
„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren
Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!
Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij
doet!
Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”
Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit
onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij
liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom
tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten
hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en
papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en
bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch,
kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort.
Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een
geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong
een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen,
tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen.
En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het
aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde
Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere
tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij
dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en
daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets
schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van
tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld,
verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En
in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen
een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende
liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.
Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks
reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu
duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en
verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist
van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen
doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het
bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.
Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden
vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne
zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een
gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der
schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij
naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd,
de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met
rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween.
Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had
medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in
hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor,
dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.
Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met
rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden
op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der
kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide,
terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij
van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.
Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen
lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel
binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den
vreemdeling, om haar te bevrijden.
Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die
het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende
oogen van Aspasia schitterden hem tegen...
Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester
maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter
werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest
opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de
omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.
Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide
met hare zacht betooverende, zilveren stem:
„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon
heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat
ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw
laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat
Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te
vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast
onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet
meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het
schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen
te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw
gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone
Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze
gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de
maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus
genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden
Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit
tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat
de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben
overgeleverd.”
„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning
der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin
der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit
er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”
„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.
Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een
geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle
gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.
Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering
inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te
voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten
hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.
„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en
voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij
is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat,
weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch
halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven.
Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw
vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke
Corinthische met hare vurige oogen!”
Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid,
vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles
wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook
Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia
eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën
[278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween.
De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen
de nachtegalen en geurden de rozen.
En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt
had bij de Corinthische met hare vurige oogen.
Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste
maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van
het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding,
na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing
is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen
rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander
wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder
ongehinderd opwaarts.
Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit
het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden,
geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden
morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der
vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken
verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten
verkoeld.
Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had
op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met
palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord
zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet
en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken
uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen
der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche
triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos
lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met
mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder
zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare
vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest
harer bewoners.
„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam
Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd,
toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en
weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne
koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze
tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen
voor het machtige, bloeiende Athene.”
„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar
bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn
geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar
de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En
hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een
Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet
verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze
kusten houdt uitgestrekt.”
„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te
zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”
Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:
„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den
aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”
„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch
strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats,
die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste
wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd
is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht
worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”
„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks
lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese”
onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten
mag.”
„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia
in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn.
Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis
heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de
weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden
echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen,
dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een
lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades
mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”
Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam
Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had
ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij
hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den
overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de
Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet
omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de
schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich
over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk
eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein
paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en
kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.
Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en
wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van
den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd
verstoord.
Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was
niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de
overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone
landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om
haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de
afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te
kruiden.
En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van
diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus
in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.
Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze
beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en
groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en
onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk
van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het
schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander
liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen
konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich
omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten,
mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de
zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het
menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te
verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete
beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...
Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het
geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste
wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de
bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van
Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen
van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene
kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen,
die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden,
en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een
tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld
onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor
de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier
genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de
benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven
zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en
verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de
eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven,
vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat
met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de
pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen,
hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in
haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem
bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de
betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot
zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische
sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan
weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen
doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch
rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene
vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der
zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de
gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en
door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in
verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.
Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan
weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel
gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante
te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking,
gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op
verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met
deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en
bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon
had gespreid.
Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles
niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die
deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg
om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk
beloofden en hem aanrieden:
„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans
mij doet!
„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”
„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante
verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen
ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.
„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de
Milesische.
„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.
„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?”
vroeg Aspasia.
„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.
„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in
uw huis pleegt te noemen.”
„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen
Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”
De Milesische antwoordde met een glimlach.
Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in
de ziel van Pericles overdacht te worden.
Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s
afwezigheid, over haar sprak.
„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van
tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone
vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard
smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug.
Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den
sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang
aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de
geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de
banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of
haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde
op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een
vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo
zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze
vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”