„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist

daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en

volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”

Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het

myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de

wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als

geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus

mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere

oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.

Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en

Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het

groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op

verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een

heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als

een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen

liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden,

Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan,

om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke

toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus

met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.

De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en

daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als

Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke

vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open

grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de

Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze

geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de

zinnen meester maakten.

Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten

uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten

zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op

rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare

zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van

gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die

allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem

en wenschte een orakel van hem te vernemen.

„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij

lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij

niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”

Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de

volgende orakelspreuk mede:

„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren

Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!

Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij

doet!

Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”

Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit

onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij

liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom

tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten

hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en

papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en

bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch,

kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort.

Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een

geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong

een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen,

tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen.

En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het

aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde

Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere

tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij

dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en

daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets

schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van

tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld,

verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En

in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen

een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende

liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.

Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks

reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu

duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en

verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist

van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen

doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het

bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.

Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden

vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne

zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een

gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der

schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij

naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd,

de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met

rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween.

Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had

medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in

hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor,

dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.

Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met

rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden

op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der

kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide,

terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij

van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.

Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen

lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel

binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den

vreemdeling, om haar te bevrijden.

Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die

het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende

oogen van Aspasia schitterden hem tegen...

Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester

maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter

werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest

opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de

omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.

Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide

met hare zacht betooverende, zilveren stem:

„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon

heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat

ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw

laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat

Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te

vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast

onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet

meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het

schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen

te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw

gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone

Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze

gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de

maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus

genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden

Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit

tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat

de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben

overgeleverd.”

„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning

der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin

der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit

er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”

„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.

Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een

geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle

gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.

Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering

inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te

voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten

hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.

„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en

voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij

is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat,

weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch

halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven.

Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw

vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke

Corinthische met hare vurige oogen!”

Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid,

vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles

wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook

Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia

eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën

[278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween.

De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen

de nachtegalen en geurden de rozen.

En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt

had bij de Corinthische met hare vurige oogen.

Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste

maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van

het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding,

na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing

is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen

rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander

wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder

ongehinderd opwaarts.

Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit

het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden,

geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden

morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der

vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken

verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten

verkoeld.

Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had

op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met

palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord

zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet

en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken

uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen

der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche

triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos

lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met

mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder

zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare

vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest

harer bewoners.

„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam

Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd,

toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en

weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne

koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze

tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen

voor het machtige, bloeiende Athene.”

„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar

bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn

geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar

de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En

hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een

Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet

verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze

kusten houdt uitgestrekt.”

„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te

zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”

Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:

„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den

aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”

„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch

strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats,

die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste

wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd

is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht

worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”

„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks

lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese”

onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten

mag.”

„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia

in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn.

Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis

heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de

weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden

echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen,

dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een

lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades

mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”

Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam

Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had

ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij

hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den

overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de

Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet

omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de

schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich

over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk

eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein

paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en

kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.

Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en

wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van

den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd

verstoord.

Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was

niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de

overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone

landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om

haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de

afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te

kruiden.

En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van

diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus

in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.

Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze

beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en

groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en

onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk

van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het

schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander

liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen

konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich

omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten,

mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de

zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het

menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te

verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete

beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...

Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het

geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste

wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de

bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van

Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen

van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene

kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen,

die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden,

en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een

tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld

onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor

de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier

genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de

benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven

zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en

verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de

eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven,

vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat

met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de

pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen,

hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in

haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem

bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de

betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot

zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische

sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan

weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen

doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch

rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene

vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der

zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de

gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en

door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in

verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.

Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan

weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel

gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante

te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking,

gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op

verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met

deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en

bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon

had gespreid.

Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles

niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die

deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg

om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk

beloofden en hem aanrieden:

„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans

mij doet!

„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”

„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante

verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen

ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.

„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de

Milesische.

„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.

„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?”

vroeg Aspasia.

„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.

„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in

uw huis pleegt te noemen.”

„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen

Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”

De Milesische antwoordde met een glimlach.

Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in

de ziel van Pericles overdacht te worden.

Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s

afwezigheid, over haar sprak.

„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van

tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone

vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard

smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug.

Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den

sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang

aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de

geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de

banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of

haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde

op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een

vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo

zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze

vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”

Aspasia(#64986) · 第 24 / 57 段