„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog

uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden

de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden

met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De

vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke

vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de

vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te

nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te

dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de

Atheensche over te brengen.

„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook

openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds

op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel

mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te

doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door

stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?

„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen

toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken,

dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een

burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de

Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten,

doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te

gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.

„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond

te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden.

Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben,

benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de

door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke

diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld

hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen

elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van

splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een

vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig

als dorre takken deed breken.

„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog

niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd,

wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs

geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om

het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen

plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd

geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die

oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel.

Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles

wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het

admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de

Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde.

Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder

dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het

schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander

vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip

mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als

krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te

voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër,

zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den

waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der

weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen

zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich

redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.

Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber,

Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de

vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen,

dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze

aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was,

maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was

een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht

en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes

aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en

hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te

ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden

leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den

diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem

den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en

dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide

golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel

Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik

weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en

onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij

mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets

is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en

het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want

als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen

en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf

gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan

bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet

bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de

zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den

geest.—

„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen,

die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer

vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische

vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de

oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel

verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij

nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut

tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp

verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield,

te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische

stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden

ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven

en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen

strijd aangenomen.

„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid

namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze

taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één

geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig

belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”

„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog

van den Samiër.

„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt

gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en

hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”

„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel

warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik

waardeerde het.

„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en

gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen,

die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met

ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart

opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan

zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige

bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en

bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid.

Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den

arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte,

waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten

ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts

op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren

bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en

daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen

geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven,

licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het

schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof

niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige

eenheid van het Zijn.

„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene

en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert.

Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene

wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid

veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder

mij daarvoor te schamen.

„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft

getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige

uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb

Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te

behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te

beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263]

een altaar op de Acropolis op te richten.

„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van

meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den

staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te

voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb

ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem

lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich

daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”

Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van

Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem,

die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger

vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te

gemoet was getrokken.

Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan

Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:

„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog

steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger

begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen

der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij

in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het

leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In

den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag

ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg

wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden,

moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan

het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den

Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen

plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil

van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en

verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was,

dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij

daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken

van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren,

af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan

onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in

te branden.

„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde

met stormrammen en werpgeschut.

„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den

jongen Alcibiades”—

Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:

„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste

brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen

juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene

voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over

de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze

wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te

duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte,

zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en

hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik

gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van

Sappho bij de klank der snaren zing.

„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen

en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts

met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring,

elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij

arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.

„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij

begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er

velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om

hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht

omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog

begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in

den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij

nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den

kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de

been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn

de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven,

komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van

Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit

de held van den dag is.

„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster

van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken

met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin

samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en

afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar

dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met

hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts

verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en

sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de

wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen

baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden

denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet

bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267]

„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles

eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds

tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice

loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en

vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik

openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en

houden mij voor eene lichte en zekere prooi.

„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw

vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber,

knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van

Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene

schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u

niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den

treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe.

Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit

ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden

en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt,

voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk

een mannelijk besluit van den dichter?”—

Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:

„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij

toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik

zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne

hardnekkigheid doen boeten.

„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde

Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens

als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten

dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar

en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem

voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want

zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen

geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de

verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen

oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten

de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk

vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht

nog bij ons Atheensch volk te doen valt.

„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat,

of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering

zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak

van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij

voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren

te brengen.

„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen

uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog

mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij

zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling

mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”

Zóó schreef Pericles.

Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand

en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar

Aspasia gezonden.

Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische

vriendin:

„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de

vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de

muren.

„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren.

Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te

regelen zijn.

„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken

elkander wederzien.

„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich

over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen,

van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene

naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd,

na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu

op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het

schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige

dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend

Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het

schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander

liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.

„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”

Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos

na.

Daarop nam zij een stout besluit.

Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar

den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit

de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.

XII.

UREN VAN ZALIGHEID.

Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar

Milete gemaakt.

De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus.

Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder

zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.

Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van

Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.

De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met

schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden

lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.

Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij

Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden

met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche

schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten

vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het

zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het

land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door

orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich

kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus,

die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van

gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken

haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd

gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde.

En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele

adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke,

prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en

de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en

Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten

wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch

smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke,

weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan

de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van

de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in

vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van

Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van

Syrische zalven.

Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de

gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger,

Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de

nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een

myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte,

bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin

Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.

In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten.

Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad

schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van

sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er

bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee

geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen

bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer

anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels

in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis

rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den

Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.

„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,”

zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke

tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische

schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de

hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”

Pericles glimlachte.

„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een

brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja

zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen,

Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen,

ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.”

„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van

den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de

weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”

Aspasia(#64986) · 第 23 / 57 段