„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op

aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger

verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op

dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en

Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere

versterkingen zijn in aantocht.

„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij

bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u

overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij

naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des

oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste

vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen

de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”

Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische

beantwoordde dien in dier voege:

„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen,

dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door

Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet

verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u

voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des

oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet

onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede

waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u

echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De

begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het

sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees,

dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe

langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds

toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.

„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd,

daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij

hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij

hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden

Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen

Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn

gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen

zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en

overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die

bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter

Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn

onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij

zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit

is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet

weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij

over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides

onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een

boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft

daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle

dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk

lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat

alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n

invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.

„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de

voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop,

dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een

herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet

gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis

op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”

„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.

„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden

oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”

„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten

raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader

in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens

als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn

vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te

Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de

gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds

als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had

langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en

werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet

een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.

„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u

zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen

voor een vrouwenhater houdt?”

„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.

„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met

wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”

„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn

vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die

mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg

voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan

kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”

„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.

„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe

ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand

geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand,

die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”

„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het

afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en

welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar

dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen

meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof

de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en

zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op

Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.

„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:

„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote

Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.”

„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats

te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,

weggejaagd had.

„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen

der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te

zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek

gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot

alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van

zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad

verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand

onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen

weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het

heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond

Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar

de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat

weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde

priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er

een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van

zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de

schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren

gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op

zee, op de schepen der vloot van Themistocles.

„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk

gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in

de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de

straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte

vluchtelingen niet konden dragen.

„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij

stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters,

zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst

zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche

schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op

de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht

was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om

Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip

tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat

zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist

toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God

in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen

optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles

had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou

nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam

het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden

[256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de

geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden

aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog

heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere

vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde

schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der

fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der

Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron

aanzeilen.

„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot

terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag

ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen,

die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle

vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en

vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het

hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en

smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een

paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk

het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.

„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich

stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak

der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds

dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe

lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen,

kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn

bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis

en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had

kunnen wezen.

„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van

vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat

ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de

jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand

van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man

herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de

bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij

het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich

op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen

en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de

rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de

bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen

onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man

Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam

binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer

het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar

verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte,

pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam

het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne

uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met

het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij

water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat

bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.

„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd.

Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en

met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar

het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op

zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle

Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den

strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak

vernam zei hij:

„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog

gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het

vaderland gevallen zijn!”

„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te

betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde

den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag

der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”

„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het

hier voor u neergeschreven heb.”—

Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was,

kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor

Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:

„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval

of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief

dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe

brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik

reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw

moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den

aanval.

„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van

dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede

gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor

den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te

pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch

het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te

land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen:

maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet,

aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden

gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons

beiden gehaat zijn.

„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw

moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.

„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond,

die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën

dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie

treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van

Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste

heeft toen geboren te zijn geworden.

„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar

het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over

diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen

slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en

ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van

haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of

slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om

Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal

kosten.”

Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:

„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot

groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde;

alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe

bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht

hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe

brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot

datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist

deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf

het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord.

Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld

van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.

„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke

snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates

pleegt te zeggen, goed bouwen.

„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad,

dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd

doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die

Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had,

heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in

beweging gebracht.

„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne

vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst;

hetgeen de Goden mogen verhoeden!

„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en

toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek

toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den

onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn

tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al

te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene

stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den

priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van

zijn tempel de wijk te nemen.

„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken

geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig

zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven,

steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een,

dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het

vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid

geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten

staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet

zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert

zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook

onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag

en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt,

daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere

dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de

Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het

Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die

daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat

Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog

meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke

verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.

„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het

moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia.

Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te

snellen, als gij het wilt.”—

Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:

„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het

zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien

heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag

misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik

beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met

den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij

geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het

schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen

voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de

bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf

verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd

der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die

voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal

zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.

„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische

vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste

stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat

steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke

schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te

tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige

positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene

geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats

te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens

medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische

vloot te verbreken.

„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels

tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich

buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.

„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne

voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het

daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring

eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de

schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte

rijen naderde.

„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze

voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met

hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen

riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons

toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van

den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide

schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer

gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.

„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid

geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en

die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig

naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar

twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend

vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te

vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten

rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht

opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige

krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259]

slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken

met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke

vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast

verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen

het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En

terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van

pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden,

voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning

met bijlen zijne riemen vernielde.

Aspasia(#64986) · 第 22 / 57 段