wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding
aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene
soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een
goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een
hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en
ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch,
zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door
het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond
of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”
Glimlachend zei Aspasia:
„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is
mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds
sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den
strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op
hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem
des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het
algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels
op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en
gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik
opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus
zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus,
overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene
geheele verandering in de plaatsen brengen.”
„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne
gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”
„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op
te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus
neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den
zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet
met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates?
Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel
ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat
blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in
te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast
Socrates zal zetten.”
Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het
aanligbed, waarop Socrates aanlag.
Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de
symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide
Socrates zijne gezellin.
Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene
eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals
Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de
bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.
„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans
beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat
geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste
vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch,
ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het,
Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—
Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door
den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij
ieder harer bewegingen, antwoordde:
„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed
gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de
beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen,
zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden
breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind
op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”
Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen
den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo
smadelijk de wapens strekte.
„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene
goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het
zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd
dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”
„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker
genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude
Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te
verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”
„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te
spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der
tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten
aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk
druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”
Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen
rondschenken.
De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap,
die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich
niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.
Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken
over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.
Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem
zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.
Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij
begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.
Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken
en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.
Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.
„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der
strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”
„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge
wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man
ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden
grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden
nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen
en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid
begraven.”
De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het
hoofd van den wijze onder bloemen begraven.
Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft
de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te
kunnen fluisteren.
De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij
hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het
Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit
en zei tot zijn buurman Sophocles:
„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat
mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang
ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij
duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn
buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit
eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei
de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening,
„Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den
innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de
toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog
het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want
ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn
vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En
als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete...
de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen...
„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.
Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne
macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had,
maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak
met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de
volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de
mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was
verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone
Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door
het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor
gezongen werd.
Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene
feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke
gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die
er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd
door de bloem van den Helleenschen geest.
Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost
in:
„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats
afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij
hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten
dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der
tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij
het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid
der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door
Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan
weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand
gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den
waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard,
dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft
ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder
gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet
verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw
slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede
wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden,
ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze
koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”
Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk
met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd
waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene
groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van
Oud-Hellas fonkelden!—
En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een
warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van
Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.
„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de
symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen
bevond.
„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet,
dat ik wat minder liefheb?”
„Waarom?” vroeg Aspasia.
„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt
gij dan over voor Pericles?”
„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.
Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de
volheid van haar geluk.
„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou
van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten
of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in
idyllische rust doorleven.”
„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of
het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”
De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het
bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij
dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest
verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar
waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken
haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen
der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou
triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het
veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor
eeuwig zou planten.
XI.
SAMOS.
„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene
der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs
bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht,
toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de
speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent
vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is
kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx
geloopen—”
„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.
„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,”
hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het
kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een
algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt,
veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de
Milesiërs Priëne [250] bezitten?”
„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man
heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd
oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne
geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te
laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de
Samiërs ontstoken.”
„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten
Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.
„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan.
Leve Sophocles!”
„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien
de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven
had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe
dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”
„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een
van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera
verhandeld heeft.”
„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus,
„als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia,
de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert
slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen
was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om
zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar
kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt
gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen
dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel
degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik
ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel
mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de
Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en
beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun
gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van
de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben
met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles
bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”
„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus
werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles
met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw
ambt.”
In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille
plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk
gesprek verdiept.
„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde,
dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan
hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken
des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de
liefde voor de schoone Aspasia...”
„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te
verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met
truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik
beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en
gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende
mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden,
die mij omstrengelden.”
„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider
zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt,
slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde
gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”
„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven
mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider
zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar
het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der
eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”
„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de
dichter na eene kleine pauze.
„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en
sloeg een scherpen blik op zijn vriend.
Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op
te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg
moest verkozen worden—”
„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles
glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen,
welke de gewichtigste is?”—
„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos
nemen?” vroeg de dichter.
Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost
u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen,
een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige
tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te
denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal;
Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover
ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252]
school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als
wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen,
den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust
woont.”
„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij
niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone
Chrysilla zijt geweest.”
„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit
aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor
hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten
inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den
tragischen wedstrijd geweest zijt.”
„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de
schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap
houdt.”
„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.
De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over
datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.
Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was
het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros
of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen,
welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest
als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.
Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij
zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en
Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken
der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in
het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van
gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den
smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden
van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk
hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het
hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle
fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door
schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed
was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om
te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde.
Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun
drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen
gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud
schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend
toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over
de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene
plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme
van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van
de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand
deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe
morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers
dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in
beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag
van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen,
vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de
open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg
geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen
Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers
zette naar Samos.—
Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van
Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De
bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde
heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den
strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd
was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.
De brief luidde als volgt:
„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder
klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij
voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de
Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen
een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had
wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren?
Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen
het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te
lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was
bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot
onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit
eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende,
aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het
rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.
„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over
het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die
zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.
„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid.
Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen
weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar
Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der
middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de
overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die
bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te
Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel
hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de
mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede
ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik
uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed
uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.