„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt

waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier

overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe

bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den

gelauwerden dichter der Antigone!”

Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers,

die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.

„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng

de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef

ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen

en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen.

Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u

juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een

wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”

„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als

symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming

en de harmonie aangeven.”

Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en

ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam

ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:

„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,

Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,

Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,

Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”

Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.

Deze echter zeide:

„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten

genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia

onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij

daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals

zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft

gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk

raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij

inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij

ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe

benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch

zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des

levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van

Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat

iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen

onderwijzen.”

Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen

gevende, riepen allen:

„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den

lust des levens te onderrichten.”

„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit

symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een

schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit

en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals

Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij

herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het

verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de

kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan

hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling

uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de

menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook

bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het

aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of

godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de

Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of

verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij

verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en

jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt

van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te

Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en

niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als

de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en

kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en

schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne

zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat

het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de

Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.

„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil;

de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er

eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden

even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen

vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus

Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis

achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den

deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de

kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en

daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen

tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene

Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der

overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den

Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan

opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden

stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant,

die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke

godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch

de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten

te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen

gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit

te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben

en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een

vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals

betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der

aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende

overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet,

dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en

man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele!

Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te

vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die

mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische

gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.”

Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden

van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:

„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op

den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal

een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in

veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven

in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks

toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—

„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best

doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de

Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan

toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden

hebt.”

Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en

zijne rede.

Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den

gastronoom:

„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar

alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt

gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens

goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding

weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden

te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt

geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij

wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”

„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik

mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op

een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het

pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men

noemt „het vette der aarde genieten.”

„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is

waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een

goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken

kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere

begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een

zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd

worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en

zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de

ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen

drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle

levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen

van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt.

Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik

niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij

geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te

vinden.”

Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en

alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een

anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.

„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten

volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een

vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie

geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor

vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden

kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo

niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been

had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone

vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden

Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk

een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den

grooten Hippocrates!”

„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus

een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk

wijden ter eere van Hippocrates!”

Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus

zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:

„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken

worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het

treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode

vernomen hebt:

„Des menschen leven past het nooit te roemen,

Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.

Want die het meest door rampen werd bezocht,

Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,

En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.

Geen ziener die des stervelings einde kent.

Doch alles is voorbij. Want als de vreugd

Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,

Als een bezielde doode doolt hij rond.

Al is zijn huis met schatten opgevuld,

Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.

Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles

Niet hooger dan de schaduw van den rook!”

„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het

leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des

levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de

vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu

echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne

verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen

der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens,

die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens

mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien

kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil

zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte

is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk

besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te

worden, zij der Hellenen trots!”

„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.

„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch

ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden

moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den

dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—

„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.

„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een

wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”

„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er

spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal

bouwen?”

„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.

„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u

op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene,

wat ik als triërarch zal uitrusten.”

„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige

stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest.

Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen

overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het

genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”

„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik

u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat

het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u

te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de

rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke

men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is

niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de

dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat.

Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den

eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der

rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder

begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs

tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”

De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles

hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de

uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd

echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras.

Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen,

wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den

zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen

de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne

woorden kracht en gloed te geven.

„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit

Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van

vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen

bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel

op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s

menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen

voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele

namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne

zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming

der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone

gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is

eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken

in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die

drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene,

maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer

verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en

schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van

Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone

heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei

ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer

de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons

bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te

zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en

rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is

roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij

haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons

verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie

verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der

zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin

maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de

omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen.

En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt

gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot

en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het

tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of

naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd

spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig

aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan

in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de

diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns,

handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns

onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen.

Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel

opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig,

verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon

[248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd,

ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:

Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”

Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en

verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar

gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne

goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou

opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden,

aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen

geest te kunnen regelen.

„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien

het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van

welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed

begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij

de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te

beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak

kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”

„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat

de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter

wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”

„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van

nemen...”

„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout

Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten,

wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’

plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die

middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner

laatste tegenwerping ten dienste staan.”

„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het

vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”

Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den

gasten in andere, grootere bekers geschonken.

„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok.

Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog

aangenamer.”

„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote

Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker

proevende.

De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en

hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de

oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.

„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed

staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen

naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze

echter niet.”

Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen,

allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren

besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.

Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de

danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had

bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van

bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst

aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters

volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij

den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de

hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een

pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der

jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja

bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden

zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt

naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen

en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen,

toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met

huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke

meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen

vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende

in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het

hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een

beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het

hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet

het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl

van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende

vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de

hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde

schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’

gasten in eene soort van zwijmel bracht.

Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen,

kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen

der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:

„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan

en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij

toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens

konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet,

Socrates, is derhalve genomen—”

Aspasia(#64986) · 第 20 / 57 段