Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen

dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder

zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute

plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den

edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar

geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.

Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk

op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren

blik zijner oogen.

En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid

beantwoordende, sprak zij:

„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet

op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid

begaan.”

„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede,

„want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger

is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”

„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia,

„en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder

belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren

beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te

vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was

ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven

voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u

op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene

ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit

uw gemoed, o Pericles!”

Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel

te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte

te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de

zijnen te vieren.

De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van

Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.

Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had

gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de

liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.

Maar ook voor hem zelve niet.

„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is

misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw

over te geven.”

De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen

overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.

Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij

dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte.

Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles

veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar

zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?

Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en

voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een

klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van

Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De

nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.

Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat

hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al

ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf,

dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen.

Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame

schreden en vervolgde zijn weg.—

De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In

haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen

van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op

eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den

heerlijken reizang uit de Antigone:

„God der liefde, nooit bedwongen,

Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,

Waar uw pijl is ingedrongen,

Voor uw almacht buigen doet!”

Pericles in ’t oor.

Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die

beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte

avondkoelte.

Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles

en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en

Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden

gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen

gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om

schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos

toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al

peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van

de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen

Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.

Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den

eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den

Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de

rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus

tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg

heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo

bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der

Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.

Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder

richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de

tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot

verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef

voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die

hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den

roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven

scheen er te zweven over zijn hoofd.

X.

DE KONINGIN VAN HET FEEST.

Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd

gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de

vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd

telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke

uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw

mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld

van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije

fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen,

dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den

vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe

opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was

deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven

te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet

ontbreken.

Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en

de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat

Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te

zullen komen.

Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de

uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den

Atheenschen roem vereenigd.

Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks

binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien.

Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne

baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne

vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame

vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om

ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij

voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had

opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol

gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel

spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij

spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij

voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel

te vereenigen.”

Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet

zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar

in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij

die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met

allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste

mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door

de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude

liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op

na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp

zijner hulde was.

Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje

Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om

zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan

Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier

schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie

hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de

schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk

zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid

betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat

hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld

worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb

hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust

beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de

meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen

verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide

knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog

tijd genoeg, om daarover te spreken.”

Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de

groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de

aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het

behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide

tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men

den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de

zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels

meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de

aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren

opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht

vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust

en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin

tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en

musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten

aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van

vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes,

broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van

overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader

beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt

door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone

beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van

de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een

met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de

welriekendste geuren verspreidde.

Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden

neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met

schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het

maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens

onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren

kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen

wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en

essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne

doeken afgedroogd.

De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den

gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het

toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne

naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats

genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn

vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den

tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer

Hippocrates [230].

De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek

genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had

groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland

van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een

Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der

Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men

zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot

ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit

de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel

van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle

mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de

dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de

ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen

toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen,

om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige

verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning,

ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner

welsprekendheid.

Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en

scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.

Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken

Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen

blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen.

Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één

punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren

de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap

behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om

uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te

danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem

gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in

zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet

gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een

heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en

Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op

uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen

nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der

vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het

kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus

vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene

vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten

dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de

schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de

macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als

het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is

waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste

oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij

hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.

Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel

geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en

het maal begon.

Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus

eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou

ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.

„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de

heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid,

zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen,

dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen.

Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen

gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten

achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen

zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer

ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig

prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een

hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden

glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat

ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is

in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze

kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als

gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en

dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook

zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de

krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de

kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het

Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet

ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen

olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist

daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te

vinden.

„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er

een uit Sicilië heb moeten ontbieden.

„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van

onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles

der kookkunst noemen.

„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te

prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever,

de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den

fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het

uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en

ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met

lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf

genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten

zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig

toebereid en met allerlei vruchten gevuld.

„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen

voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel

bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds

te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te

proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen.

Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke

lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van

die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans

kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat

ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig

en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat

heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een

ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij

de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of

met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de

spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij

de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe

keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles

aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil

overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen

van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer

eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in

zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn

bord heeft.”

Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk

om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.

Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer

met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger

kon ten toon spreiden.

„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels

ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den

beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan.

Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts

twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.

Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235].

Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en

het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den

drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van

rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten

hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus

aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van

vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.

„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het

oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch

[237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?”

Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er

tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen,

naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig

roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.

„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan

weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan

den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten

Pericles.”

Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates.

Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook

geen symposion kunnen besturen?”

Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken

kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit

werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou

wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke

taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne

leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen

genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een

symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet,

wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus

verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij

hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch

eene symposiarche.”

Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft,

doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.

„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand

tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”

„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers

gevuld?”

„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de

beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te

Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den

zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een

voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”

Aspasia(#64986) · 第 19 / 57 段