„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij

noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u

ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken?

Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren

geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of

den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren?

In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd

die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt.

Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in

het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet

tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich

naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een

gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid

kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met

het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen

heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer

kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare

vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en

noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene

moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige

vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met

nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de

aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij

alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet

gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen

nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat

natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van

het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—

„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,”

merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone

franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet

wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en

verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een

vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle

dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”

„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid

op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——

Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles

toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou

hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid

der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner

bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en

walm zou hebben uitgedoofd.

Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de

Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den

dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de

schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.

Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door

een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor

Pericles hielden.

Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een

oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou

overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne

zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:

„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—

„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste

is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even

raadselachtige wijze beantwoordende.—

Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en

keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.

Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon

naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de

Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.

Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had

ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en

veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.

Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen

praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.

„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon

Lampon.

„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.

„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den

avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër

sluipt.”—

„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is

die andere?”

„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich

gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het

vlek Colonos.”

„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude

liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij

daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien

dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia

heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend

voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor

de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien?

Wie zal het op zijn woord getuigen?”

„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in

het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden

getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”

„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.

„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de

Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en

goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de

groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht

worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—

„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft

sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor

den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het

bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst

verdringen en hare plaats innemen.”

„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als

gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is

reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de

deur wordt gezet.”

„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die

Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere

schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder

gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was

in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en

belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in

haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”

„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice.

„Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het.

Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der

Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—

„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.

„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de

Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd,

vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de

vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het

voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den

gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen

tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu

Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om

het plan te volvoeren?”—

Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:

„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om

de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische

te brengen.”—

Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar

ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.

Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus,

Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap

van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias

over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche

schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere

vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.

In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou

worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten

man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste

plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God

Erechtheüs op den burg.——

De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste

dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.

Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder

de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus

af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar

voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden

versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op

zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus

tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het

luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn

Attisch vernuft afschoot.

„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman

Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”

„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.

Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman

zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles

lachte mede.

Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen

Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen

Heracles...

Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet

meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende

pijl had Aspasia getroffen...

Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste

gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich,

om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De

gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot

verkwikking brengen.

Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend

Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de

omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde,

marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die

zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met

eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag

moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich

als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote

geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met

turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de

feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.

Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de

ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was

de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld;

het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater.

Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer

te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.

In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend

tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen

Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der

beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich

te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en

tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.

Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de

weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen

liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot

rust te brengen.

De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit

Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de

schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne

handelingen na te denken.

„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij

in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te

hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten

roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes

luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij

verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch

wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het

verdichte?”——

De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het

sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den

strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet

onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te

beantwoorden.

Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem

van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht

bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut

zich hooren:

„Het koor van Ion trede op!”

Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht,

geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een

tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed

niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor,

snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen

en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de

spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische

Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige

rhythmen.

Toen trad het koor van Euripides op.

Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren

geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept

door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het

ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen

weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende

pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien.

Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes

en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker

van de overwinning.

In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel

en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf

den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier.

Pericles opende het en las deze woorden:

„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”

Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van

Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge

bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—

Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van

den heraut, die zich wederom deed hooren:

„Het koor van Sophocles trede op!”

En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken

opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin

zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de

zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar

geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid

sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—

Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’

dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten,

zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te

zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene

prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij

vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.

Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste

reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de

hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig

aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:

„Straal der zonne, wees gegroet.”

Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het

voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop

een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man

verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het

masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst

verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den

gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele

jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart

gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder

met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt,

geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:

„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”

En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der

levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een

ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en

zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der

Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader

om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt

streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:

„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”

klinkt het harde antwoord:

„Ook andere velden nog beloven vrucht.”

Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en

nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t

welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den

lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:

„God der liefde, nooit bedwongen,

Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,

Waar uw pijl is ingedrongen,

Voor uw almacht buigen doet!”

Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht

van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de

groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit

glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende

Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op

haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:

„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon

Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,

Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—

Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene

ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk

buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een

vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept

het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus,

aan:

„Lievling der Thebaansche maagd

Zoon van Zeus, wiens donderslagen

Raatlend door het luchtruim jagen;

Kom, terwijl we in blijden zin

’t Feestlied door uw stad doen schallen,

Zegenbrengend Theben in!”

Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch

plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het

grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven

beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal

geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.

En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij

verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond

van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in

de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt

haar moederhart.

Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen

aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der

koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.

Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden

van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter

aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven

slotaccoord.

Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie

liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de

gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de

strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó

menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door

niemand ooit uitgesproken.

Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke

gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo

harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog

geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog

nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.

Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische

wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten

onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder

beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten

aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak

verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen.

Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het

tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den

zegekrans te ontvangen.

Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen,

onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.

Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke

menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne

zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den

verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd.

Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.

Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.

De inhoud was als volgt:

„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot

Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs

een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”

Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou

aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van

Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.

Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner

vrienden en snelde hem te gemoet.

Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar

eveneens van harte geluk.

„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij,

maar als kunstrechter.”

Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde,

van zich zettende, sprak Pericles:

„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven?

Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de

banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig

zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met

gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te

zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik

niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”

Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:

„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat

aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt

voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de

woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van

deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk

aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij

als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij

Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen

weergeven?”

„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van

nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze

voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen

menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de

eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft

heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken.

Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor

alle volgende tijden bewaard blijven.”

„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t

ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede

oude zeden te trotseeren?”

„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een

oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht

omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.

Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij

volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte.

Daarop sprak hij:

„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te

herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van

haar geslacht?”

Pericles was getroffen.

„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen

toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en

Pericles stond tegenover Aspasia.

Aspasia(#64986) · 第 18 / 57 段