hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de
boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de
slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde.
Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren
was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar
scheidde.
Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming.
Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden.
Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de
zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.
Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der
menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd
bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije
opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te
betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had
weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was
onuitputtelijk.
Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij
hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en
voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in
hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische
bleef niet zonder gevolg.
Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota
hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:
„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij
den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”
„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat
de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen
te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want
het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten
spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd,
wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat.
Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg
hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en
wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”
IX.
ANTIGONE [203]
Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der
vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene
voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor
een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het
huis voorkomende, tot op de straat doordrong.
Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes
en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de
huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof
de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van
fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die
de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus,
de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de
Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met
de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.
De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den
tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen
die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de
opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op
staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor
ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten
oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke
Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de
rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas
voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van
Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de
gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er
een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan
en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander
in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren
te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks
minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208].
Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit
het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de
straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een
muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne
blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis
zoekt.
Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus
in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei
tot den slaaf:
„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van
Hipponicus.”
Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur
kloppen.
Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de
straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van
Hipponicus.
Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam
verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad,
boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de
borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof
hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden:
„Zoo mijn geest niet dwaalt,
En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,
En heldere blik mij niet ontbreekt,”—
dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den
drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den
treurspeldichter Sophocles.”
Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk
schudde.
„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt
gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het
geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en
klinkende munt bovendien?”
„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen,
waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar
steeds toch weerklonk het in mijn hart:
„Daar wild’ ik heen.
Waar dicht begroeid ’t gebergt’
Tot aan de baren reikt, waar
Sunions vlakke grond gelegen is.
Om Pallas’ heilge stad
Met blijden mond te groeten.”—
En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw
Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon
beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar
uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht,
snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want
nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene
en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend
en grooten meester Sophocles.”
Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.
„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.
„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de
choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide
medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op
dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de
rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan
zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus
binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”
De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus
verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den
tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.
„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans
hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”
„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware,
zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als
gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de
Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de
noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze
allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe
gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet
ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg
kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog
de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten
en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij
geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is
aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet
dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou
zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker
Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den
vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken.
Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die
kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den
Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten
afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk
geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was
hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde
waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te
overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker
dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees,
liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht
het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te
steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”
„Getroost, getroost, mijn waarde!”
declameerde Polus met hoog pathos.
„Nog leeft hij in den hemel,
„Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.
Vertrouw hem toe uw bittre smart,
En haat noch vergeet in uw toorn,
Hen die u leed berokkenen!”
„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man
en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent
beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle
middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van
Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote
som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de
tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als
Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog
naar Ilium wilde voeren:
„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,
Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem
Mij met zijn gloed mocht verteren!”—
„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo
getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk
zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen,
fluiten en sissen de Atheners.”
„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus,
die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers
voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan
maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun
ongenoegen te kennen te geven.”
Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de
tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus
vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal
in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.
„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de
„Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”
„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is
al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we
niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen.
Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol
ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze,
evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf
sprak.
Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:
„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”
Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar
deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken,
mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar
een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen
te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest
toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de
maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den
schouwburg.”
Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen
ik als Electra [215] optrad en aanhief:
O heilig licht,
O aether, die de aard omgeeft!”—
heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede
masker voortkwam, de vrouw gemist?”
„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.
„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216]
hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:
„Dierbaarst overschot, mij blijvend,
Van den liefsten aller menschen.”—
„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei
Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde
Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan
de uwe!”
„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne
stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u,
denk ik, mijn Aiax [217] nog wel:
„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,
Die snoodaards, die verwenschte schurken,
En in hun plaats, door waanzin aangegrepen
Onschuldige schapen en gehoornde stieren
Deed sneven door het flikkerend staal,
Hun donker bloed vergietend.”—
De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel
veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de
toehoorders in verrukking uit.
„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste
smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier
verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—
En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke
toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”
„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:
„Welaan, het uur van scheiden is gekomen.
Weest mij gegroet gij lachende dreven,
Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”
„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het
schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als
Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”
„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot
vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak
[218]:
„Het moordend zwaard staat in den grond geplant,
Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—
„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan
de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]—
„O Helios,” viel Polus in,
„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,
Houd dan uw goudgetooiden teugel in,
En breng de mare van mijn droeven dood.”—
„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw
geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard
aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant
Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners
van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde
allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held
ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte
geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u
gold en Sophocles en den Salaminischen held!”
„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar
vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te
erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland;
ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene
mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor
ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene
[220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even
op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den
eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”
„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is
bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen,
als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder
het masker kan men elke rol vervullen.”
„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide
Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is
geleid.”
„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.
„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener
Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze
beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel
altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is
vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken,
uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen
zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op
dergelijke wijs opgetreden.”
De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd
waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was
er recht blijde om.
„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide
Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der
tragedie ten tooneele.”
„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.
„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het
tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de
Eurydice te spelen.”
De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de
geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij
weigerde nadere inlichting te geven.
Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand,
gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en
regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.
Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den
koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.
Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den
plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle
dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden
zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij
zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het
voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend
van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en
voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het
geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had
ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de
dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den
fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor,
om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.
Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed
Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat
van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als
veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig
om den Dionysischen zegeprijs te behalen.
De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene
gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad
verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne
verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De
spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche
volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar
Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om
zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er
tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in
handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood
voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de
zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist
eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die
dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en
Pyrilampes.
Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op
vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de
vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en
Anaxagoras.
„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend;
„koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult
eene schoone vrouw uw hoofd?”
„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men
een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de
staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te
kunnen wijden!”
„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras
met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar
men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van
te voren van alles afstand te doen.
Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte
duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was
geworden.
„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw
niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe,
toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer
van haar?”
„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij
is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze.
Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van
gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd
weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet
zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger
meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets
bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte,
dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg: