vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun
lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds
trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er
over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der
liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het
zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft
belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen
teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke
God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle,
en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een
zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God
eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden,
ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de
menschen rondgegaan.”—
„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en
op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest,
dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene
bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als
een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne
gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit.
Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug.
Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel,
mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen
noemt?”
„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook
niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel,
en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk
veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—
„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel
niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop,
als ik mij uit de werkplaats verwijder?”
„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts
een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist
rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—
Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte
genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met
artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de
geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische
priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene
knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig
of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk,
ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de
liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats
van Phidias.”
„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia.
„De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom
wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van
de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het
schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en
tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst
lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen,
maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en
bekoorlijkst aandoet.”
Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen
en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu
weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de
eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel
is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en
veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met
de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op
zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare
goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk
aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de
liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken.
Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het
„eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”
„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei
Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de
schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”
„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid
harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de
Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen
verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar
en vriend?”
„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste
bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking,
kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien
en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot
dit genot openstellen.”
Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid
tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’
vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene
andere vrouw.
De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes
van Corinthe naar Athene overgekomen.
De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia,
waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door
eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia
aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan
dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven
was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk
liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld,
in de plaats te stellen.
Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer
opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het
voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over
de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef
Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar
wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou
hem gegeven worden.
Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den
Corinthiër het volgende terug:
„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange
tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden
zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt
bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te
Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar
Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij
uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”
De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen
later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres
Theodota, te Athene bij Alcamenes.
Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang
in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken
Corinthiër.
Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota
ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij
had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.
Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en
roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van
Hellas.
Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de
alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door
schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.
Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof
van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van
den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare
ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in
de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en
gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare
gedachten geregeld en haar besluit genomen.
Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan
waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes
gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden
gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de
schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen
zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid
Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht
was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist
wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat
Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te
kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke
plagerijen gaf.
Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij
zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische
schoone te zien.
Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve
zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het
schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan
ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u
hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te
noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”
„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia,
zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates,
hebt gesproken.”
Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij
geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,”
zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om
zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande
strekken.”
„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en
koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en
naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust
meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den
kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone
Theodota te voeren.”
„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is
onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw
afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de
nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning
van Theodota niet ver—laat ons gaan!”
Het huis van Theodota was weldra bereikt.
Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam.
Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij
keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.
Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met
overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte
aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten
bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed
met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen.
Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid.
Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen,
zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk
versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en
veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden
daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van
Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en
frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte
mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de
binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het
vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon
versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten.
Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig.
De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig
afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij
droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen.
Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een
vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en
kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja
zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen,
flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor
prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had
zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld,
waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”
„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens
zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen
tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”
„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers
steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe
bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor
u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u
te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man,
Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat
heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia
uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van
uwe beroemde kunst te overtuigen.”
„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard
staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt
alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het
wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel
van zulke rechters onderwerpen?”
„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u
geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”
„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een
zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het
eerst.”—
„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor
wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te
spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen,
gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen.
Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin
zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of
geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze
echter antwoordde:
„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met
bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de
voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig,
Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”
„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken
nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets
beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om
den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”
„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en
Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde
en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den
Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand
trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou
ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota
noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel
verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—
Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad
en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den
dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:
„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste
schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij
ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft,
ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea
[201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar
huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet
verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons,
behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—
Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de
meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een
knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen
en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die
klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen
en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te
dansen.
Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om
den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en
vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en
toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter
der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig
was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige
bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist
te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet
vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene
belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust
bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen
soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan
de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere
bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en
gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende
trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist
men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de
afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk
gebaar en iederen trek.
Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen
vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier
onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het
doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne
handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.
Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof
toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich
van hare taak gekweten had.
„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes,
„was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen
tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen
de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het
noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van
het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”
„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als
die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het
alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke
lenige en teedere ledematen uit te drukken.”
„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates
op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de
danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe
gedachten verzonken.
„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts
eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene
wijsheid der handen en voeten is.”
De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie
sprak. Doch Socrates ging voort:
„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus
van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s
menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat
vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat
plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den
schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”
„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien
schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen
kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te
verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland
moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone
natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat
wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen
aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een
bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken
moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste,
en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”
„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die
slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is
verliefden of minnenden te noemen.”
„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet.
Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij
haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij
mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te
zwaarmoedig geworden was.”
„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen
met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der
liefde, maar een dochter der vreugde!”
„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet
alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen
gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota,
welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den
beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den
huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te
stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen
van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet
afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk
der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde
behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas
te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs
met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de
toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet
onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch
staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende
boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de
bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van
voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems
voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een
zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de
Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”
Zoo sprak Socrates.
Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te
goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan
dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.
„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.
„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.
„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.
Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de
anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en
Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan,
menig veel beteekenend woord tot hem te richten.
Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover
vrouwen eigen was.