Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof

van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder

van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide

voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als

anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De

discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der

kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan

te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een

beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan

de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de

kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht,

den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden,

eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de

laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den

anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind

en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den

discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond

door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen

hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog

zijne schijf verre die der anderen voorbij.

Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus

eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en

zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij

den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar

bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen

evenver van die der anderen.

Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning

met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp

hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren,

dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van

Alcibiades.

Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke

woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht

den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders.

Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter

aarde.

Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest

weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades

een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden

tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen,

herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.

Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen

gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde

aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden,

keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen,

waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor

hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.

Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen

zijner achtervolgers verdwenen.

In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en

was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend

zich in zijn mantel verscholen.

„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen

toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht

had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of

berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de

voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie

gij door geboorte verwant zijt?”

„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier.

„Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—

„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet

kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt

gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen

met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”

„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit.

„De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen

weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”

„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen

had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het

Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt

weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt

teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch

niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken,

die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen,

om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om

roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al

vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt

afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem

overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”

Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener

doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van

buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn

eigen wezen innig verbonden was.

Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij

gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den

man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke,

bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna

onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen

mensch gevoeld had.

Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles

en den gymnasiarch.

Opnieuw begon de knaap te sidderen.

„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u

met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.

De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation

gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles

[195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den

goedigen Centaur.

Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht

op Socrates toetraden, zeide deze:

„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn

smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens

mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij

mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem

daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met

bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar

het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die

hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft,

bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij

het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij

weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held

Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het

is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige

oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.

De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden

knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte

tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap,

welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval

daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar

huis te brengen.

Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen

spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en

gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van

Clinias zich vertoonden.

Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet

eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen

van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.

Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen

Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle

Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den

„waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde

oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam

zoeken...

VIII.

HET OFFER AAN DE CHARITEN.

Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk

op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die

tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne

nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen,

zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en

in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij

zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene

zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon

beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de

helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in

zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand

van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.

Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de

klare spiegel van zijn geest.

Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen

van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken,

te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen

en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig

kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en

later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking

toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar

een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch

niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping

geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van

een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een

geheel te worden.

En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde

alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in

bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.

Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem

bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had

gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten

ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in

zijn geheugen en deelde het later weder mede.

Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier

arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte

hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen

was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en

metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.

„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand

uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig

geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig,

de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij

spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij

niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof

men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee

vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius,

is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij

soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots

kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend

te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare

harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”

Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die

steigerende rossen optoomden.

„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren

gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt

gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou

zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te

werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur

geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem

dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.

Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling

tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed

naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.

Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar

menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.

Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en

dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche

ontwerpen?

Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner

leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide

werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder

spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan

ooit te voren.

Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en

opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te

verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten

doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite

om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde.

Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke

bezoekers.

Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den

woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel

het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia

sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was,

als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de

kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en

kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en

metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs

de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.

Onverholen sprak zij haar meening uit.

„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen,

dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als

zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht

zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het

alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het

goddelijke voor te stellen en te belichamen.”

„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich

datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil

laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende

kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke

schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en

laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling;

datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk

aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien

hoogsten trap, niet daarop liggen.”

„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het

sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw

kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de

juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want

zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te

weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op

toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij

langzaam zijt, maar de weg is lang.”

„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek

eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich

beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van

Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid

en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder

weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen

wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”

„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van

zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok,

dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij

zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’

woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene

met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene

verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven.

En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der

ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen,

dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit

alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch

de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal

slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg

aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op

den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te

dragen.”

„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij

scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”

„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes

mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om

het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken

verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien

spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus,

ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden

vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon

geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te

plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog

rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de

kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet

altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als

een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk

scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder,

rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”

„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in

het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.

„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers

niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het

werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien

hebt, als heden daarvan te zien is.”

Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien,

wat gereed was. Phidias echter zeide:

„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het

kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in

goud en ivoor.”

Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit

mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en

Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten

voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals

vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig

waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men

anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte,

zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk

weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model

uit te maken.

Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken

van den doorgezaagden Colossus.

Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze

was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij

dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge

gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige

trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde...

Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was

het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.

„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar

tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die

niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van

haar vader Zeus.”

„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der

dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in

het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas,

die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde

en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk

gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de

gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn

leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit

het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende

vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts

een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen

ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik

het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de

gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de

gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de

schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne

verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters

over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van

Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij

maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke

natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die

niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone

gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie

echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en

vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der

sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts

haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op

in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd,

’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas

Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den

overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar

schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias

de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen

zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het

hoofd is van de Godin Pallas Athene...”

De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel

den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de

schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:

„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle

gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze

schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—

„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.

„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den

denker aanziende.

Aspasia(#64986) · 第 15 / 57 段