onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige
volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.
„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons
uit de verlegenheid te redden.”
„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest
schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen
vraagt?”
Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms
een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen
te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel
gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond,
zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door
de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie
erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde,
was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de
schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol
zielen.
Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was,
waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf,
zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een
vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen.
Socrates stond op en zeide:
„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen
dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron
kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de
twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en
kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst
opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en
wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken.
Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich
zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden,
waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij
medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”
„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd
oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde,
„in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde
wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos”
[186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht,
door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter
wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door
wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der
dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde
samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in
afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende
natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...”
„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den
wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald,
voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den
Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de
overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde
zijn?”
„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een
zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de
andere blind...”
„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het
zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte
oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan
is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”
„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras
lachende.
„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en
dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk
onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer
wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons
gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij
ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei
zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht
wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die
gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar
vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te
hebben?”
„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot
eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene
bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot
een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich
getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig
zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene
hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens
verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de
meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook
wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele
bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die
hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet
erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden,
omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel
te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag
vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte
doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons
dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde
verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en
ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den
besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een
verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders
heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en
steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is
en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben
doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”
Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een
vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras
met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding
aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik
toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.
Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had
opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp
zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.
„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge
man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch
is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te
houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het
menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”
„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een
uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de
liefde.”
„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?”
vroeg Pericles.
„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang
en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe
vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke
levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag
ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...”
„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat
wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die
hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man
mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet
houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche
vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren
te verdelgen en steden te verwoesten...”
Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den
waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van
de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in
het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische
wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde
hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de
bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne
voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool
te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene
zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en
dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij
liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij
voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was,
hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus,
benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische
voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de
openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine
Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van
de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het
open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten.
Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige
belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van
den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong
hij ook was, reeds begonnen te spreken.
Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en
verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen
wegbrengen.
Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde,
nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als
droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij
haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en
juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen
en knapen wedijverden.
Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die
Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van
den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.
Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend
zwijgen.
In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom
ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich
naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te
zetten, als volgt:
„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon
zijne stem in mij heeft doen hooren?”
„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.
„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene
goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld,
geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als
men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt
zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren.
Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn
dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en
zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik
doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik
die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”
Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker
zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke
persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.
„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.
„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u
naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar
duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch
die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar
hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben
ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij
mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend
geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn
volkomen vertrouwen verdient.”
„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij
voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is
te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u
en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende
schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan
de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”
„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een
Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling
met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek
een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—
Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van
verbaasdheid en medelijden.
Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en
tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds
onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus
hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne
medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de
belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe
gedachte, aan een nieuwen tijd? ...
Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen
niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine
gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader
aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar
contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.
Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en
open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij
dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat
het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn
daemon.
Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de
onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts
een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven,
tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem
richtte.—
Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de
verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—
En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de
toekomst.
Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal,
dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——
Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener
ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over
zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde...
Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was
een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij
toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den
Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit
worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit
kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo
meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook
tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker
drinkt, als zijne ure is gekomen...
Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven
schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de
grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de
steenhouwer uit Phidias’ werkplaats...
Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.
Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht
van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.
Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de
macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.
„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op
den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan
heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te
bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de
toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever
schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te
zijn?”
„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de
Chariten te offeren.”
„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme
waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan
zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”
Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het
hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal
uit haar oog wilde opvangen.
Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij
het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den
bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.
„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg...
Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den
zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en
verborg in zijn mantel zijne naakte leden.
De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige
Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene
schuilplaats zocht.
Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op
hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen...
De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem
aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou
verbergen en beschermen.
„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?”
vroeg Socrates den knaap.
„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet
Alcibiades,” antwoordde hij.
Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van
Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van
Socrates te verbergen.
Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de
oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten
van het Lyceüm begonnen.
Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de
worstelplaats der knapen.
Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe,
teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige,
bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in
het zand der worstelschool te zien wedijveren.
Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten,
was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets
overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd
getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen
naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende
spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch
harmonische vormen te bewonderen.
Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne
beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de
kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades
reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken
Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks
afwachten.
Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de
kampstrijd.
De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun
adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste
ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast
zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het
kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden
zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne
meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen
bevorderden.
Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij
meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde,
leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen
strijd.
Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend
in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte
om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te
nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te
toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door
het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun
vluggen loop versnelden.
De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider
werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen
werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij
den eindpaal.
Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen
in de hoogte, in de breedte en in de diepte.
De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die
zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te
belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze
gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde
weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen
moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden
verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van
Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers
getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn
toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten
der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers
overtrof.
Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor
den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen
men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der
gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die
bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar
de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium,
het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen.
Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een
zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te
brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te
strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te
trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders
beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging
steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen
de paedotriben aan de knapen.
Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op
den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo
omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en
alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere
kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de
schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en
opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en
vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten
toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van
de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp
hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken
had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het
zand.