lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het
licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en
cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van
zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem
betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het
oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne
lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig
sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen
verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede
deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in
uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van
welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met
gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren
beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie,
der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en
bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij
tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen
verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje
van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel.
Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de
Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met
verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
„En toch was ik niet gelukkig.
„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk
geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook
omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.
„Ik miste iets.
„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst,
ik verachtte hen.
„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren
in de wijde wereld.
„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het
plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te
voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd
ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan
mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot
echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de
machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle
mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en
geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor
mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te
Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den
koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van
deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend
uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij
met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de
hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten
wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen.
Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij
spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der
Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid
der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor
mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in
zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen.
De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven
gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen
doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het
Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den
beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering
overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde
beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het
Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van
eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder
begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van
Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een
koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen.
Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken,
waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin
aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde
scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in
zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik
nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de
voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat
hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn
opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene
gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd.
Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning
zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef
en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te
verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De
vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de
jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu,
terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil
geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd
aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd
door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de
gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en
verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide
mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te
houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de
pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in
Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die,
losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het
machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische
afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden
meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij
schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich
van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun
heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de
gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en
vriendelijkheid is uitgespreid.
„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men
mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn
goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het
huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op
straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.
„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene
Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik
weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde,
toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom
mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte,
achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor
mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden,
opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van
verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord
tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij
bij de armen en het gewaad.
„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg
langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man,
door slaven gevolgd.
„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de
vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen
stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen
reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span
mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en
onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”
„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in
strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt
wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”
„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara
aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”
„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan
Hipponicus?”
„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.
„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische
karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara
leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop
ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is
van de verzoening en de harmonie der uitersten.”
„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het
toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die
plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen
geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—
„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof
van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen,
waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen
Alcamenes...”
„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van
Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te
geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te
hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester
Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den
waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen
vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog
ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien
ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen.
Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de
echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader
gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”
„En waar was dat?” vroeg Pericles.
„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam
Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden
blik aan de borst van den geliefden man.
Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna
sprak hij:
„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht
nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar
nooit tegen had gedrukt!”—
Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen
hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren,
lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen
glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn
glans uit aan den hemel.
Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit
te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk
versierde tuinhuis.
„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik
van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u
niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”
Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit
Philaenion lachend te voorschijn trad.
Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar
van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van
leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de
zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste
haar in krullende lokken.
Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne
bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk
schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er
aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder
opgeruimden, geestigen kout en gelach.
Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den
onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”
In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel
der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van
hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—
Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied
als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang
met de bekoorlijkste, innemendste dansen.
Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde,
om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de
scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in
de duisternis.
En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan
in dien nacht.
„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een
blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den
reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:
„God der liefde, nooit bedwongen,
Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
Waar uw pijl is ingedrongen,
Voor uw almagt buigen doet;
Die uw zetel hebt gekozen
Op het liefelijk gelaat
Van de teedre maagd, wier bloozen
Wat haar harte wenscht verraadt!” [177]
Zij zingen allen:
„Alle wezens kunt gij dwingen,
Land en zee is uw gebied;
’t Broos geslacht der stervelingen,
De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.
Ach, met onbegrensd vermogen
Heerscht de teedre, zwakke maagd,
Als de gloed der schitterende oogen
Zoete drift in ’t harte jaagt,
Onverwinbaar neemt de min
Spelend aller zielen in.”— —
VII
DE DISCUS-WORP.
Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale
uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars
ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den
zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn
kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen
vervaardigd, te bewonderen.
Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm
[178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der
Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige
worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen.
Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar
met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen
knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor
wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele
lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school
is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de
kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde
jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik
wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren
trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne
krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten
aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische
kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met
hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en
oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja
zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke
liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen
met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren
[179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen
drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel
te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in
het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen
wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen
gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen
waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo
klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner
bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet
verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen
aanmoedigt.
Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is
eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval,
dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium
achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige
gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend
aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten
elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen.
Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in
die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met
geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende
taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet
talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen,
kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige
dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds
kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin
hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen,
herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te
sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische
Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te
vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en
Magiër [181] meenen te zien.
„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend
tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer
omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij
de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon
helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat
vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen
dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte
toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand
anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek
verstaat?”
„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.
De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras.
„Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken
mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen
hemel en zonneschijn?”
„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde
hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u,
evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif
van den Erymanthus.”
„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de
Athener.
„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de
grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit
eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met
een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een
onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet
over de Pisatische [183] velden.”
En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het
ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend
dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen
elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt
geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld,
dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de
Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.
Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders
rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en
nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene,
zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een
paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt
te onderhouden.
Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man,
wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn
makker.
Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef
staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het
oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.
Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden
den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de
gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker
gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou
toonen.
Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de
betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten
had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der
lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te
bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot
leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met
Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al
te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen,
wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.
Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de
worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en
jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver
zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de
ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter
zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de
jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de
wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den
Ilissus-oever.
Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’
werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van
zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook
vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon
met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was,
dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten
blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en
ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en
steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen,
geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven
gevoelden, dat te verwezenlijken.
En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds
te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen.
Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der
minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn
lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt
te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht
onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne
inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip
en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit,
dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:
„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor
anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”
Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men
bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint
Pericles.
Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven,
Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit
Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de
verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch
alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem
zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den
geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En
handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de
verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige
liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder
twee.