toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet,
dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook,
evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik,
zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede
behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts,
dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te
kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene
bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde
in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een
onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik
werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden
overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard
van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge,
eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat
zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou
prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij
de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw,
die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te
vallen?”
„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche
vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij
eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...”
„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen
heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij
maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot
slaven van die slavinnen.”
„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.
„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht
beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—
„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles;
„echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de
wet.”—
„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk
alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat
de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—
„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar
tegen.
„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt
niets.”
„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn
vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede
brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele
staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”
„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige
Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou
kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het
ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen
leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te
kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de
Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich
op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden,
voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot
onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten
liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden
eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken
onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil
en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat
wij...”—
„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat
wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe
verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen
kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan
we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het
algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor,
Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de
uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld
te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van
het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”
„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had,
„valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten,
vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en
even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd
daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia
dreigend met een brandhout te gemoet...”
„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend,
„en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de
aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met
verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo
onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu
mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid
overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe
zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den
geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En
wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche
laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar
dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en
de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus
[164] beluister...”
„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis
spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.
„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een
slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte
van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”
„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.
„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.
Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud
terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds
aangeroerd hadden.
Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval
is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar
een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne
ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden
bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de
geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een
bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode,
sappige vrucht van den boom.
Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte
haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een
aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de
aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt.
Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan
Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor
de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den
krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de
eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen
de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de
kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te
leiden.
Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de
hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in
het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen,
beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen.
Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten
volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles
haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun
omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over
niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste
ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van
Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste
kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan
was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden
had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden
verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die
nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het
schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen
laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter
aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer
beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht
van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw
evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om
gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit
mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de
komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen
naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat
van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige
ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden
voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de
linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die
aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder
aanligbed een afzonderlijke.
Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en
strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was
aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen,
noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden
[165].
„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen
gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich
niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen
braden.”
„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,”
smeekte Sophocles.
„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in
staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te
plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas
gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der
Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het
heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”
„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide
Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en
daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de
laatste.”
„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik
niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de
overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand
de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart
der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van
morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht
der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik
de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167]
doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...”
„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die
eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te
hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der
dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en
moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene
menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen
alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke
hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde
bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...”
„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij
daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik
zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en
wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een
offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk
liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen.
Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en
beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en
overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God
is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder
op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij
slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig
stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den
jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is
eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der
stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede
besturend in den raad der hoogste machten.”
„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!”
herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de
spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”
„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik
die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in
mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder
gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in
dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne
opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”
„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.
„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets
aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon
u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij,
hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich
op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en
met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”
„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de
wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets
dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en
breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van
Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als
onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot
kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen
toehoorders meer hebt.”—
„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam
Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”
Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers
terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.
Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen
ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den
vuursteen.
En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door
den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van
Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder
ook iets nieuws van eigen vinding.
Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?
Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot
Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:
Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
Bezield antwoordde Aspasia:
„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt
ons
Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!
Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan
Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het
morgen!”
Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite
Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!
Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten
In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de
heupen
Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.
Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,
Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan
Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.
„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem
vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de
schoone Philaenion zingen.”
„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij
moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men
verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde
gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk
oord hebben verjaagd.”
„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam
Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”
En hij zong:
„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker
Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.
Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;
Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.
Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris
Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend
knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met
de woorden:
„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.
„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een
loflied op de schoonste:
„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen
Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem,
Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’
Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169]
„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der
dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”
Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog
veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis
aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en
Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van
de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in
verbazing ten laatste uitriep:
„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe
prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”
„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de
geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”
„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult
gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en
Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet
behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”
„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van
Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het
genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang
zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner
ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik
Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en
zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die
gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag,
waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend
paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo
verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet
verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van
hem ten deel viel.”
Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren
zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.
Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen
alleen aan zich zelven overgelaten.
Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en
het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten
zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien
zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in
geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den
geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen,
in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—
De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen
kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden.
Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep
op de takken hooren.
In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit,
zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men
zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder
ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete
afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning
hunner veerkracht.
De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop
zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige
twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk
paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te
beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta
ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun
vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal
der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn
en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij
niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar
haar verhaal.
Eindelijk kwam zij aan het woord:
„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een
lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt
het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van
welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden.
Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien
ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles
te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t
geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest
beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij
is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die
hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de
ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het
levenslicht heeft aanschouwd.
„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in
zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene
verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij
telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde
jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd
ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen.
Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens
vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste
grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet
niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een
jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen
des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.