zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de
liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de
Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe
kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij
kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis,
zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt
ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen
erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen
Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven
smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard;
ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet
gehoorzamen.”
„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,”
voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat
ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.”
Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.
Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de
fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge
had gegeven.
Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van
Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging.
De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen
vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en
zeide:
„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.”
Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in
tegenwoordigheid van Pericles.
De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.
Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan
tafel.
Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen
van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms
ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half
hoonend stilzwijgen verzonken bleef.
Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.
Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.
Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.
„Wat is dat?” vroeg hij.
„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last
hier is gebracht.”
Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den
samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een
toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk:
„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?”
„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en
vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht
dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel
te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef
maar eens!”
Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar
echtgenoot.
Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde
veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met
waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de
legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen
durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn
wettige echtgenoote op zijn bord legde.
Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de
verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken
wilde begeven.
Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:
„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze
pauw?”
En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:
„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche
vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.”
Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij
eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan.
„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk.
Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.
Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.
Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen
toon tot haar man:
„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken,
opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die
boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij
niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis,
aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik
alleen.”
Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet
de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots
van de meesteres van het huis, de wettige gade.
Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:
„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!”
Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene
schriftelijke boodschap.
Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s
hand:
„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen.
Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.”
Pericles antwoordde als volgt:
„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den
Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw
gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.”
VI.
IN HET CEPHISSUS-DAL.
Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een
weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de
tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg
vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad
aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde
Cephissus-dal.
Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een
ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een
groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom
zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der
smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook
taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men
niets dan een groen tapijt zag.
Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de
kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend
witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in
de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend.
Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den
niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel
Colonos.
Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het
olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van
den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke
landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog
gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die
bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde
strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze
toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende,
maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden,
waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant
uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend,
en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin
de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.
In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden
Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen
omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en
rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook
de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen
van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar
het andere voerende, omzoomden dezen tuin.
Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de
donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke
woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen
wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde
woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en
boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich
voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig
was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen
crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde
jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen,
maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen
bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters
prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen
verfrischt door den reinsten hemeldauw.
Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de
namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is
het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit
weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den
Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was
zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke
wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke
boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren
van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in
de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met
bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden
[156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene
ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van
den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar
ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was
niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der
Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die
hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en
Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde
hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit
het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen
den eeuwigen slaap.
Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem
verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker
oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen
griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het
stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze
hem niet ten volle bevredigde.
Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig
man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.
„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar
schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”
Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den
liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den
ingang van den tuin.
Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide
hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en
alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit
Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen
doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en
weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”
„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles
verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik
u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de
rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u
ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder
en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat
het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en
vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157]
„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends.
„Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend
in de morgenkoelte op mij werkten.”
„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?”
zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”
„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk
als eene Laconische,” hernam Pericles.
„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te
benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.
„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is
onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze
dan van eene Charis heeft.”
„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u
goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”
„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware
het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze
zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te
rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—
„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles
voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte,
„ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige
ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en
haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—
„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt,
om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf
niets anders doen dan beminnen.”
„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte
Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij
ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men
vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille
myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—
„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het
heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend
uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men
met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat
over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne
willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het
goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van
Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der
liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot
de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de
Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde
overstelpen u met dichterlijke gedachten.”
„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde
geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken
en te scheppen gedreven worden, weten dat.”
Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei
hunner jaren.
Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de
lommerrijke, geurige boschjes.
Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het
himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders
glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het
krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het
hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de
kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de
hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel,
die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder
bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van
verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het
Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare
verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom
bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren
van haag en bloemen verre overtrof.
Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke
lanen en zeide:
„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord
heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in
het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij
Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan
te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij
voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch
aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners,
gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder
opschik schoon is.”
„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide
Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer
tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen.
Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder
hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich
een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer
hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den
lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de
uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en
Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten
minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der
Phaeken op het eiland Scheria.”
„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait
in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en
laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden
en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan
verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne
stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne
weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij
opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in
den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd,
in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch
niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het
liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest
gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes,
dezer myrthen- en rozenpriëelen.”
„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes
voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot
volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere
licht der wereld en des levens treden?”
„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets
anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt,
dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen
hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in
twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker
zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge
wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der
vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen
dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en
Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij
mede.”
Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden,
tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den
hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de
beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de
oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de
oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed
genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het
groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden
wandelen.
De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte
het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de
vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en
licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een
weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de
verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten.
Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door
bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die
tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en
voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te
zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op
de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom
uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen
der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige
onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den
kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige
kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een
zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die
weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.
„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier
dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”
„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen
zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het,
uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij
die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch
zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn,
wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht
zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede
bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen
der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel
raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke
libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne
bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden,
maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van
rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van
de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus
werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn
huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”
„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.
„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep
Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage
meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans
eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed
voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch
haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik
geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide,
dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar
geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen
de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene
vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”
Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera,
de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de
gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—