„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene

jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten

en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen

echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet

ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn,

die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van

de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over

Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen

in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de

gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste! ... In de

strikken van deze vrouw is uw man gevallen!”

„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet

hij die vreemde vrouw dan?”

„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het

huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar

worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk

wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En

uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let

wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij

vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en

alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de

geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu

verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren

heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft

hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de

Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En

van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van

Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den

slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens!

Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft

aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe

dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En

wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man

Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?”

„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge

mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde

vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat

Pericles hem gekocht had.”

„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar

den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te

spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt.

„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van

Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten

huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde

de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve

naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng

toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den

huwelijksband!”

„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het

dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!”

„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het

vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal

[150]!”

„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt

van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is

onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft,

zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten

moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen

deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte

bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst

als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond

open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te

werpen.”

„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen.

„Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden

zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote

vervreemden?”

„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide

Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen

indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja,

hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met

een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil.

Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt

mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische

teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven,

in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke

om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra

echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het

amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter

zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot

hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De

vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht

man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar

ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het

hadt laten hangen.”

„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide

Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met

den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken

broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert

hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias,

Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun

eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste

op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen

met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele

Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo

hoog schatte, ledig moet loopen?”

Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten

laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het

Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier

kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan

vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws

van den dag.

Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.

De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid.

De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man,

volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren

als aan den grond genageld.

En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling,

dien zij zagen?

Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden

als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het

hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen.

„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe.

„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen

zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met

opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides

uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op

de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen,

dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder

gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker,

wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.

„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit

Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles

door banden van gastvriendschap verbonden.

Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit

Sparta kwam, was zij in de wolken.

„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede,

oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van

het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke

gestalte zijt?”

„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te

Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor

iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in

het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds

voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te

ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het

ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou

gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone

kunsten, die hier bloeien, te wijden.”

„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,”

zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een

van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig

zijn.”

„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling;

„maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als

iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te

oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van

mijne eigen middelen—”

„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne

bewoners?”

„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen

zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo

spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.”

„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach,

dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O,

gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!”

„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de

schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren

verzekeren.”

De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden.

Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een

weinig, toen hij minachtend zeide:

„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan

zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en

adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij,

terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het

gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der

schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.”

„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester

Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen

kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op

de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne

trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte

galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.”

„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met

levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder

Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader

Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie

speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En

thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de

schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de

bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van

Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat

gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!”

De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare

waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem

wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar

sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland

tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen

willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar

stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij

beloonde hem met een teederen blik.

„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om

eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een

landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.”

Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw

was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als

bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De

gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal

gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als

huishoudster.”

De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe,

roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette,

met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van

twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van

haar zoogenaamden landsman beschouwde.

„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster,

die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.”

„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men

ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is

van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes

u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met

den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den

wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter

nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.”

Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het

Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling

nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen.

„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl

hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne

prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek.

Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen

knaap.

„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe.

„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw

opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een

Spartaansch jongeling die daar voor u staat.”

De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het

voorhoofd te geven.

„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in

Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden

jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe

gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle

soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in

de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant

behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk

verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te

zalven.”

„Bah,” riep de kleine Alcibiades.

„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en

de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds

zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij

met hart en ziel zijn toegedaan.”

„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,”

sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.”

De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een

zoen te geven.

Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot

dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene

geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden

doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar

zacht in het oor:

„Telesippe, deze jonge man—”

„Welnu?” vroeg zij even zacht.

„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.

„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning.

Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin.

„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—”

„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst.

„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van

den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder

stokte hare stem van ontroering in de keel.

„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe.

„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit.

„Eene vrouw?”

„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het

overige aan mij over.”

Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde

echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe

moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen.

Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel

beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den

vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan.

De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te

houden.

Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den

gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger

aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan

dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar

met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en

zeide op snijdenden toon:

„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal

er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen

zijn?”

„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog

meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is

een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht

heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven,

doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”.

„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe

landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk,

dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt,

maar—eene hetaere van Milete!”

„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve

niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis

in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den

huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de

godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op

haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga

gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de

voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij

aan te zien? Gaat ge nog niet weg?”

„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin,

„om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze

wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.”

„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt

was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar

de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad

van het lichaam scheuren.”

Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene

rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging

alle perken te buiten.

Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden

uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte

van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden.

Toen echter nam zij het woord en sprak:

„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik

heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten

gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij

in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij

ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om

mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit

huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en

dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die

niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan

Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo

harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb

ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den

roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en

blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik

schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles

was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit

waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om

het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het

nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet

u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik

naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te

hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche

vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen

bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen,

verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt

boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan

een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te

verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen.

Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen

dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt

alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven

alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met

alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij

alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de

verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed

roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet

beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te

maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen

liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend

werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den

onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met

hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van

het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of

knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen,

geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te

weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel,

want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De

vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis,

noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt,

want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op

nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan,

des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd

weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als

ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze

kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten

in te oogsten!”

Zoo sprak Aspasia.

Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar

mond in een verachtelijken plooi.

Aspasia(#64986) · 第 10 / 57 段