„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich

bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta

ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te

roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen

Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem,

dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische

bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij

zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen

naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare

Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in

de grot op de Acropolis op te richten.”

„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is

echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.”

„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt:

wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze

grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in

de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke

schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor

de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond

en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen

stam!”

„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit

hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in

de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de

Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met

kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God

Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër,

een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?”

„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo

heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder

wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan

onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”—

„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke

koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.”

Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette

dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken

golfden van hare schouders af.

„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele

gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit

hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder

dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw

vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners

zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd.

Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het

hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die

op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben

ontwikkeld”—

„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden

glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met

mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?”

herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst.

„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne

grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog

drukkender te maken”—

„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht,

zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.”

Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in

een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt

in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s

bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus

flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht

een matte bliksemstraal.

„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het

vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het

weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel

en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze

boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van

geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een

nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar

zijne hoogste ontwikkeling!”

Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van

Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de

kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van

den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van

Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn

brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde....

Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen

tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een

kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en

eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van

de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien

bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus.

Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.

Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed.

Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van

den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde.

Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op

het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias:

„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen

der Cephissus-valleien daarin te nestelen!”

V.

DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.

Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de

rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het

eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de

schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe

ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.

De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning

Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was

Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus.

Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder

dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der

Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van

den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht

van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus

[138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.

Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld

bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het

jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor

korten tijd naar Eleusis te begeven.

Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin

gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus

heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder

Hipponicus den zijne Callias [139].

De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen

waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne

rijkdommen kwamen.

Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een

persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den

grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te

maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten

tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen

van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen

velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds

rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141],

Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij

den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had

gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is,

alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne

schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een

Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t

geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden

begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats

gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het

geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had

gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te

brengen.

Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat

geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van

zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den

staat.

Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar

den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor

sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op.

Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer

aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind.

Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige

Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar

stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor

allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open

lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten

plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend

te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door

zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het

noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat

het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend

in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde

zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere

Atheners.

Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te

evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als

dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in

alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van

Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid,

aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde

ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met

een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die

om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes

niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een

reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich

kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg,

’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals

vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en

twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de

kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere

personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der

letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten,

en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich

vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop

de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was

beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon

overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal

zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd

veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een

schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer

bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van

Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen

en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij

Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den

slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van

Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die

prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera

[146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren.

Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig

op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren

pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot

verwondering en genoegen der voorbijgangers.

Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven

uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners

toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang

bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.

De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles

hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe,

vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische

citherspeler had verkleed.

Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder

aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge

pauwen en schonk haar die.

Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels

en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een

sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat

hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk

last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in

een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen

bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar

door het geschenk te verrassen.

Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede

Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner

schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht

was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig

en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen

glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij

Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:

„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der

Atheners”—

„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia.

„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne

reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en

later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem

somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler

vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de

Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij

liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te

bewonderen”—

„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze

zelf eens gaan zien.”

„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam

Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg

aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar

hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar

ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam

onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”—

Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij

iets zeggen zou.

Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te

Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar

Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan.

En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij,

Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?”

„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil

betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie,

voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt,

een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs

uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een

vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper te hoog is!”

„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende,

„gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor

alles, wat ge begeert wilde koopen”—

„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben

koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”—

„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus.

„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem

snel tegen.

Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.

„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een

goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is

alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak.

Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik

houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een

grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij

heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke

Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!”

Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam

te spreken, stond Hipponicus op en ging heen.

Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het

haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven

genieten.

Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen

beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene

eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s

moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve

eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.

Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen

gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten

mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en

ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning

op te zoeken.

Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare

verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld

gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen,

wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou

aanvangen.

Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende

gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen

pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde.

Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van

Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan

zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter

stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen:

„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den

pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel

gekocht.”—

Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.

Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende

menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes.

De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen

aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone

citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne

aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!”

„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia.

„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes.

„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den

beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.”

„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes.

„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween

in het gedrang.

Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en

sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed.

In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome

plechtigheid bezig.

Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar

zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de

gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die

door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te

worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke

gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter

schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot,

van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den

pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en

plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.

Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de

portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met

langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen

droeg.

De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en

ging zijns weegs.

Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.

Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor

den maaltijd geplukt en gebraden worden?

Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke

aangelegenheden te bemoeien.

Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig

liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.

Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de

buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het

himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice.

De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij

was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden

heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te

zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.

„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in

een uwer binnenvertrekken.”

De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een

opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel

verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de

vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten

groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een

binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de

zuster van Cimon op een plechtigen toon:

„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?”

Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou.

„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het

algemeen?” vervolgde Elpinice.

„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...”

„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de

zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend,

spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet

het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.”

„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos.

Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide

toen:

„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk

toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den

treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een

geruimen tijd het hof heeft gemaakt.”

„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe.

„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u

opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen?

Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?”

Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.

„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan

onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.”

„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles.

„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg

Elpinice.

„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij.

Aspasia(#64986) · 第 9 / 57 段