„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden

glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan

een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de

ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht

te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de

werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de

trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze

oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet?

Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het

midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het

gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming

zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug

vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil

Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de

fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij

evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom

oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder

deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking

gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou

het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof

het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven

van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk

eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om

in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare

afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken,

naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar

te voegen?”

„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel

Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en

Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der

zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die

mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken

weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver

kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.”

„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter

goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze

beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en

berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met

overweldigende kracht aangrijpen.”

„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel

Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den

Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden

loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm

stonden.

„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die

Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn

blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en

zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.”

„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de

Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn

oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel

op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige

geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?”

„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te

laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die

mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van

Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude

en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo

eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog

met een uilenkop afgebeeld zien.”

„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen

kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.”

„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil,

zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken

over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met

niemand anders, spraakzaam.”

Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een

onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne

gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en

gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs,

dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken.

Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter

die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en

teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te

kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van

iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen

voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.

Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had

gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester

Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die

Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd

heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters,

konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te

doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het

Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven.

Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de

last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware

naar beneden drukt—”

Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of

boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen

voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie

zuilen.”

„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf,

waarom doet gij het?”

„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou

zijn!”

Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen

blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg.

De mannen lachten.

„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken

goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig

voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden,

die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles

stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene

te voltooien.”

„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke

gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen

ijverig bezig,” hernam Phidias.

„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat

ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel

in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch,

ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de

zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig

onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den

beitel.”

„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam

Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik

datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met

den beitel.”

„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas

alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een

gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen

Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen.

Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor

het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch

onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere

van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het

wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen

overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene

pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige,

gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.”

„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias.

„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij

hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt,

is niet allen welgevallig.”

„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de

woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige

beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het

oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen

aether zich verhief.

Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken.

Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne

wandeling over de hoogte van de Acropolis voort.

De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den

jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk

beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de

jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide:

„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog

niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.”

„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners

altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo

beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de

dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische

dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere

aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles,

verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch

tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet,

die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op

vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen;

waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen

het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere,

echt menschelijke aandoening aan te slaan?”

„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger

verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen

vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel

opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene

plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte

tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u

aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te

schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten

gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.”

„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans

voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”—

„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn

gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.”

„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde

God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.”

De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een

vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude

heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.

„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op

welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een

koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn

beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125]

terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken

zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan

op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het

verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar

omruischen.”

„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het

verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het

verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het

heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan

over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der

Acropolis op uitloopt.”

Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op

de verheven sterkte.

„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische

strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne

bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw

verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem

Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven

verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter

verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van

een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus,

welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts,

korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der

helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken

held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist

daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door

ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de

Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor

Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand

reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de

woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne

harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en

leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die

geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld

van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn

geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren

uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig

delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke

Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus

bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige

Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier

in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe

[130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen

groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige

Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile

hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik

over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar

gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo

zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet

leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon

verhief en dreigend daarover heen blikte.”

„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het

verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats

van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te

genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet

verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig

u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land

daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u

toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo

mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden

zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en

zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen

tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der

Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den

Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst

echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der

mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren

populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad

zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de

kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad

ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn

tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te

bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te

verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen

aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke

oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het

heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus

klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne

geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend

Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen

geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos

waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft

uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe

winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar,

bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes

en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...”

De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere

oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn

geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch

zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met

mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den

Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we

zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders,

een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.”

De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal

weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning

geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel

een kamprechter noodig”—

„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam

herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten

tijd veel heb hooren spreken”—

De citherspeler bloosde.

Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid

gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit

oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger

reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn.

Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen

Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later

was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan

een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te

behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen

kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om

zoo te zeggen, in zijne hand....

De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was

niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.

Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die

eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den

goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien.

Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst

niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in

mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den

„citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de

Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen

aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling

getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit

gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij

dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand

glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel

beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo,

de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft

mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke

sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den

droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend,

onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral

daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer

wil verbergen”—

„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en

voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”—

„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den

Olympiër Pericles”—

„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen

citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat

hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen.

De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze

daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij

kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een

zaadkorrel in uw ziel achterlaat.”

„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven

eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot

eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht

wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe

verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te

geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten

ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof,

uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis

terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve,

die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van

den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is

een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en

niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats

gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons

verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van

Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te

drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.”

„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe

Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten

moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van

de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner

menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der

„Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en

rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.”

„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler,

van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds

betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der

staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën

daarop te spelen...”

Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde,

vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de

verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder

nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.

„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide

Pericles tot Aspasia.

„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende.

„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?”

vroeg Pericles.

„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van

den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling

afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en

mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”—

„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf

buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren

vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal

bieden.”

Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen

gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór

uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms

in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden.

Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.

Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend

water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water

glimlachend uit hare holle hand.

„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare

schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet,

haar met den dronk in te slikken.”

Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde

oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit

den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen,

boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat

het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de

grot was gewijd.

„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van

karakter.”

„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der

herders omtrent hem loopen uiteen.”

Aspasia(#64986) · 第 8 / 57 段