vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht
scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een
onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het
rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van
Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland
stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er
waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het
fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een
niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de
metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen
gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de
beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de
opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te
plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen
datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk
te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der
groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de
werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans
een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met
muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van
den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de
kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige
marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het
marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit
naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke
kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun
kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en
allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De
steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het
ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten
gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen
vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te
vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en
wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten
wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles
werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor
den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche
helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige,
taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen
land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok
met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip
ééne groote kunstenaarswerkplaats.
Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den
Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte
hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg
der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek
zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg”
maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige
muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten.
Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en
ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich
de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid,
overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is
uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk
uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen
fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de
oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is
bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden.
Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van
allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het
kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe
dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het
heir van arbeiders leiden en aansporen.
Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand
gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig
gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen
toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen,
als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te
stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der
Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen”
Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod
Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene
Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen
oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.
Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van
het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de
dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas
geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met
het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s
dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid
gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke
slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van
ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de
Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de
hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners.
Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod
wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.
De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der
Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt
verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels
geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.
Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is
zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij
het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin
het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de
bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn
geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen,
toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land.
Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods
aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene
echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom,
waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen
van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde
de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning
op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen
olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem
verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden
weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste
monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld
van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden,
maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en
onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van
Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven,
tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de
donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te
vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van
Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst,
een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in
overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische
oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen
Perzische aanvoerders.
Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.
Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd
worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.
Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde
„huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de
vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling
van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover
zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.
Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel
verricht.
Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias
gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige
wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en
dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en
gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe
aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat
niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor
gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.
De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het
haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig
gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen,
diademen, halskettingen en oorbellen.
De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen,
verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen
vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een
van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn
gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des
tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als
eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt.
Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de
priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van
Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het
aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden
hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114]
te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden
waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige
feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie
[116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de
Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die
het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom
van Erechtheüs op den burg, verduisterde.
Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande,
begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een
vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan
Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om
het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.
„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op
haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou
mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch
van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en
goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In
plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in
heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood
der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen,
is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel
nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde
heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze
plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze
prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen,
die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen
tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst
willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de
plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die
door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen
gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden,
dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters,
zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor
de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet
daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene
bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of
oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van
dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat
beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn
van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke
tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings
vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is
het den Atheners ten deel gevallen!”
Zoo sprak Diopithes.
„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het
eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet
meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich
boven het goddelijke willen verheffen.”
Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:
„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw
hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters
weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere
menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den
prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen
oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt,
tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of
hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem
getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij
zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het
is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van
waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den
kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de
Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!”
„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne
leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich
wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de
Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die
de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil
terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd
ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren,
dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een
ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men
verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne
prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles
zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte,
alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!”
„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne
oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar
den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik
zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in
onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat
de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars?
Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen
naam!”
Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen
blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek
gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde,
over de westelijke helling opgingen.
„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman
van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist
aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een
van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus
[117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die
fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles
gaat?”
„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete,
dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem
gezien wordt.”
„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde
gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik
heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en
bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat
hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de
Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër,
maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als
schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde
Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk
voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.”
Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was,
te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de
drie mannen genaderd.
Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan
Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De
treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond,
wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte
bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en
van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een
vroolijken, hemelschen glans omstraald.
Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te
gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van
datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en
ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was
onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de
steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de
Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af
bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker,
doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der
zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad
onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden.
Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was,
dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals
hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig
jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij
onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan
het nut zijner medeburgers gewijd.
Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen
der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde
grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige
steenen.
„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie
groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna
over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn
ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken
der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin,
en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen
wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in
het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het
geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt
voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij
zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias
eveneens...”
„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette
Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.”
„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen
lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en
bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste
tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen;
dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van
zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de
balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot
bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en
meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te
zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en
hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan
de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en
onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den
Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de
uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of
fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe
onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.”
„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en
kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles.
„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet
voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien
man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem
zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het
aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij
kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip
heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en
hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het
evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond
gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen
leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn
kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.”
„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen
worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en
toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen
citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den
rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den
leek niet merkbaar zijn.”
„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates
glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en
teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn
gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook
uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie
hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft
opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden
steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo
nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een
fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.”
„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite
moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het
reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in
acht te nemen.”