„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op

spottenden toon.

„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal

het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze

heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels

van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde,

hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.”

De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze

woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een

zijner kameraden tot bedaren.

„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een

uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die

beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid.

Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene

fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als

eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom

in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door

hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze

werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten

laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer

even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht

en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?”

„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der

toehoorders.

„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis.

Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op

een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven

verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou

omkomen.”

„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van

Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.

De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had.

Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde

zetten.

Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men

het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem

toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde,

achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het

volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te

slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen.

Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds

gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne

nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat

zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het

gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm

is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben

slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood

een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt

uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede

een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas,

ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook

niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht

van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug

zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren

willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten,

als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond

te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan

eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen

aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne

bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als

parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik

echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil

drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer

van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe

wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag

op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik

Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van

Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon

mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te

wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn

hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons,

kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad

of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot

één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch

toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene

zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn

nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest

onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat

het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te

helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat

hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen

van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig,

zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de

bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden

ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg.

Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles

toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat

wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat

wij eene volksregeering hier in Athene hebben....”

Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een

Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij

naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door

hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de

volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne

mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn

teruggekomen.

Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door

een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo,

dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx

leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die

gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te

herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie

bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo

liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte

bloot te stellen.

De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de

Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander

van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der

volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.

De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde

van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof

van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere

kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den

Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile

hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de

vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de

Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den

grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne

oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst

gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door

menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in

rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg.

De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte

bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de

Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der

Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de

vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter

zijde.

Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de

blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling,

die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met

nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de

ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde.

Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten,

waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen.

Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot

het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In

oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar

van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten

zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der

vergaderden plaats konden nemen.

Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en

liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden.

Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den

heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist

tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde

rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den

berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een

reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde

plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der

Eumeniden [108].

Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de

Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier,

evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken

de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang

bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het

gedrang. Maak plaats voor de volgenden!”

De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge

ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het

gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de

eene of andere aanmerking aanleiding gaven.

„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange

ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove

mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het

hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten

om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens

eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen,

welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen

en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...”

Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is

Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den

burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren,

zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.”

Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra

stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg

Pericles!”

„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër.

„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer.

„Hoe heeten zij?” vroeg hij.

„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er

tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.”

„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?”

vervolgde de Sicyoniër.

„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer.

„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij

u het meest in aanzien?”

„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de

strategen hooger.”

„Hoe zoo?” vroeg hij.

„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met

een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom,

onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk

een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon

wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem

uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem

geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een

levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.”

„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër

verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.”

„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat,

die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid

gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang

eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet

hij nu ook groote schande daarvoor dragen.”

„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den

bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den

ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?”

„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer.

„Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn

heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft

er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar

rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche

burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds

wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met

smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij

dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer

de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich

gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij

ook nu weder in zijne nabijheid ziet.”

Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners

de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was

een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de

kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een

mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die

voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol

vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de

groote ruimte binnen drongen.

Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver

over de heuvels. En het werd stil.

De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den

kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte

mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte,

door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne

standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon

heenzien.

Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als

reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd

rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden

besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en

dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de

stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit

het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het

voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het

volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen

van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te

vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de

redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik,

zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk

spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf,

nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht,

als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder

onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door

den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten

der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der

meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden,

hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch

balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide

verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote

volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen,

terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder

dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan

den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht

geven.

Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en

gemoedsstemmingen eenige uren voorbij.

Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele

woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte

beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare

der Atheners.

Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den

Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige

gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne

stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen

der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den

Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene

betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk

waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de

rollende donder in de lucht.

Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn

oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken,

heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte

van de Acropolis.

Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne

hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den

redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de

stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige

hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen,

geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die

van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend

starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den

klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen,

wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen

alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele

heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou

zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot

aan het einde der dagen.

De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër

wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe

hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der

Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde,

hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe

de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den

Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.

Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte

stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde

de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de

verte toe:

„Hoe is het afgeloopen, kameraad?”

„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende

oogen.

„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging

hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden

toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten

spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben

weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas

op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en

met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige

gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën

voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias

ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar

thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner

bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel

voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en,

ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van

die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze

wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe

worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon

met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het

bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op.

„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van

Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben

reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele

andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op

eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het

Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!”

Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder

luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en

Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten

ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door

Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk

uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene

zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts

zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen

karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!”

Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn

nieuwen vriend uit Sicyon.

Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx

komenden overal verspreidden.

Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen,

prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over

dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware

het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus

door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij

ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn

vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van

zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de

woorden: „Wij hebben alles toegestaan!”

IV.

DE PANSGROT.

Aspasia(#64986) · 第 6 / 57 段