Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien
door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In
de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der
negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare
werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der
gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het
„bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den
Tholus [93].
Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze
verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus
begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad,
welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men
over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt
Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij
neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den
Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen,
welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken
en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te
overleggen.
Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der
Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken
zich daar uit.
Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van
tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het
groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare
herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en
weldadig het druk gewoel beschaduwen.
Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in
tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der
Atheensche markt uitgestald.
Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en
visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing,
omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen?
Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere
streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen
gekruid.
Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze
zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die
heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische
land.
Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige
bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die
toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch
gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste
lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles
uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche
kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van
Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar
behoeven te zien om gebraden te zijn.
Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te
dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur
te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden;
de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn
buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne
welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de
voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten
is, een ware „athletenkost.”
Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de
Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins
de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten,
begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een
meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener
houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg
tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem,
de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet
slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met
kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op
’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de
redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde
volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen;
den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet;
hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij
voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want
zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter
bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen
kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze
geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de
voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk
gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn
geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen
kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne
voortreffelijke klei en marmer verleende.
Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten,
tot aan den reusachtigen pithos [97], die honderd amphoren wijns
bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere
netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele
hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals,
waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid
vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van
allerlei vorm, zij zijn alle schoon.
Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het
gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja
zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de
spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist
noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de
goedberekende omtrekken.
Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te
midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die
het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer
de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid
draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin
het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.
Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de
kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland,
als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99],
en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we
de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten
ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven
papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden
met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele
perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers,
het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen
verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.
Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus
prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit
zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke
lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten:
„koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers
bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan,
die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het
terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het
marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of
dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen
persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.
Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een
tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot
koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters
en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen,
die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten
te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den
Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en
bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.
De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de
Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan
gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen.
Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal
heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de
gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de
werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de
Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks.
Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het
midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de
duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der
Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en
politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit
het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch
koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren
dorst hunner kelen.
Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die
ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken,
vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en
onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is
vuur en spier in hen.
De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als
zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets
edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die
marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite
voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans
heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort
van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt,
zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust.
In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden
„Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te
zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een
spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke
eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch
gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt
ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch
gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren
geestigheid en weet die te gebruiken.
Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een
man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden,
terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet.
Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den
prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij
bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.
Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.
„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer,
misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of
deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de
bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...”
„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer.
„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen
en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil
in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon,
waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.”
Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch
burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer
aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van
welwillendheid:
„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren
onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t
mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl
hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de
vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het
daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk
fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons
kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene
kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge
slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan
krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier
obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes
obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge
daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en
den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen.
Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels;
voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een
schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge
u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt
ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve
mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer
klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig
zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze
wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor
weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt,
dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden
met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige,
inlandsche knoflook kauwen.”
Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene
geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den
heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners,
welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de
Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou
geopend worden.
Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen,
welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad
wapperde, heinde en verre zichtbaar.
Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van
gisting onder de menigte.
Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal,
waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig
gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut
wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en
helderder gloed aan.
„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het
staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van
eene groep burgers.
„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede.
„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik
u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.”
„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is,
zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!”
„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een
bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den
burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral
de gelden voor den schouwburg—”
„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der
arme burgers den spreker tegen.
„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal
gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het
volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig
niet!”
„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden
gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers
op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de
bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...”
„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we
niet bouwen zullen?”
„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...”
„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles
hooren!”
„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring.
Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide:
„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?”
„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is
verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien
de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de
eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te
zeggen.”
„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle
ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft
met Pisistratus, den tyran?”
„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend
is, een zoogenaamden uienkop.”
„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders.
„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij
geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een
knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet
ongelijk aan een ui.”
„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van
Pericles ooit gezien?”
„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat
is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In
het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt
hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu
daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte
b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en
gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op.
En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van
Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt
het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer
het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo
zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele
toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat
Pericles’ hoofd een uienkop is.”
„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij
op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen
blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek
luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag
hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en
aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de
geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende,
zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit
Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog
schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp
woord naar het hoofd te slingeren.
Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt
gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg.
„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een
half uur staan pingelen, oude schacheraar?”
„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg
het wijf twee obolen!”
„En ge kreegt ze ten laatste—?”
„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er
aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf
het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.”
De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks,
„gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de
verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat,
die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor
een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen
besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?”
„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van
alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles!
Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg:
wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg
moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou
verslinden.”
„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en
met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen.
„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet
vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten.
Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den
Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan
weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk
of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of
eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te
gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De
Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem;
daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar
royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen
huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en
misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik
daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan
mijne verste nazaten!”
„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met
een goedkeurenden knik aanzagen.
Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten
koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.
„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak
zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het
trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten
val!”
„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde
marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.
De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de
rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten
roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen,
maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de
openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere
dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar
waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen,
door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets,
waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij
er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich
zelven bijna tot armoede brengen?”
„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig
echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan,
dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan
dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders
dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor
voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze
choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen
tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het
bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen
wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen
ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het
voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.”