Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een

korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar

geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene

zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele

wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt.

Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten,

als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den

weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar

onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze

vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor

de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van

het belachelijke op het wezen.

Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te

bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de

hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard

had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen

datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande,

dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de

schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen

echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige,

eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was

een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende

hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog

onveranderd hart.

Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners

verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn

terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van

Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering

van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.

Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds

stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal

beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette

zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad

en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet

ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem

vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die

Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar

Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner

welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken,

wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.

Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende

vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het

gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart

gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar

te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam

bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar

die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen

hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!

Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte

vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak

rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte,

naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik

tot een wreedaard.

Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos

nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm

tot haar:

„Elpinice, gij zijt oud geworden!”

Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij

boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van

Pericles, den Olympiër, meldt.

Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige

woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die

woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het

woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene

lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland...

burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van

elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord

voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd

heeft: gij zijt oud?

En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden

gesproken!

Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging

weg.

Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette

Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door

zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen

was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed

te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot

terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag,

verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij

integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte

ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de

Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog

knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is

zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed

toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”

„Arme Pericles!”

Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook

zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den

nieuwen tijd nog meer.

Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon

placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of

„mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”

Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne

sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen

den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer

van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en

levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat

zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het

belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije

en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde

die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare

tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die

vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor

Telesippe, Pericles’ gade.

Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd,

deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in

alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk

boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig,

belachelijk en eerwaardig.

Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend,

den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen

zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.

Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70]

waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij

over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot

op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe

eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer

netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet

minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen

met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een

omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus”

[71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was,

dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het

voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de

beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice.

„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan

gewoonlijk. Hoe komt dat?”

„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij

hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”

„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen

gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er

een zwarte hond [73] in huis geloopen?”

„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het

voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de

opzichter hem in de stad.”

„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het

verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den

Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de

lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm

van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten

onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet

zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben

neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met

zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van

alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78]

moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een

waarzegger laten roepen?”

„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.

„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij

is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden

voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei

boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of

wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele

woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat

zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men

wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op

wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven,

alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar

gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!”

„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de

heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok

den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.

„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de

goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram

slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den

vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van

staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u

voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om

mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar

niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze

niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich

in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch

nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”

„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder

dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn

vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich

zelfs spottende aanmerkingen.”

„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we

de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!”

„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de

godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het

huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van

den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81]

kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in

den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige

priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst

door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en

tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu

beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een

huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken

steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn

huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke

aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik

waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst

mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s

morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat

ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk

mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken

Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft

hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats

van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt,

hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen

naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer

heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting

eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf

Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en

ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een

slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van

huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft

versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens

die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae

verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat

hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet

bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar

genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden

aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in

mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en

raadslieden van Pericles!”

Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare

bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere

slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor

den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde

het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van

een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij

aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te

naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.

Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek

voort te zetten.

„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was

het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds

Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van

Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid

in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed.

Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen

goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en

zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens

Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in

behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in

een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite

veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef

hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter

zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon

wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden

niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het

wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of

„Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus

niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus.

En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de

Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de

wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee

als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel

van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en

allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al

dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus

bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden

en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede

onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium

rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij

genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja

eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals

hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium,

kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.

„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen

kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand

echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer

’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe.

Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat

de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard

openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken

bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval.

Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende

paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus

Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de

Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik

mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De

paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis

vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien

Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht

over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer

deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker;

zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij

klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij

verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden

geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan

eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan

kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en

Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het

peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn

nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in

bescherming tegen de „suffers.”....

Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die

schreiend binnen kwam stuiven.

De beide andere knapen volgden hem op den voet.

„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax,

die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen

voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader

Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus

de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”

„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte

Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te

troosten.

Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen

Alcibiades.

„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige

oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—

„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de

bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben.

Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen.

„Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen

afranselde?” snauwde zij hem toe.

„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds

klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde

trekken.”

Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.

„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat

ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug

te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge

hond”—

„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades

beleedigd uit.

„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna

den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker

een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder,

geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te

verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders

dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En

zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes,

zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te

nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten,

de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en

stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige

ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed,

ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij

leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de

Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke

weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen,

waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven.

Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de

school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en

de lier bespelen en op de fluit blazen.”

„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat

staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij

blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.

„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.

Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies

Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht

uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.

Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich

oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg

den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren

en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij

het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen

dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het

gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over

den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.

„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield,

„gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien

ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om

bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had

kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de

heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”

„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe

tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het

eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er

aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer

wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de

raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude

spoor lichten!”

III.

DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.

Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het

huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den

grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling

van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die

tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den

Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep.

Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt

van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het

ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene:

naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de

westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de

beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene

middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het

noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92].

Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op

de Agora neder.

Aspasia(#64986) · 第 4 / 57 段