lauwertak en wien de roos overreiken?”
„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen
overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle
kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken
hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te
dingen!”
Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De
schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en
bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.
„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen
verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij
zelven.”
Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de
beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat
ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt
mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor
zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”
„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone
Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de
beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat
een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft,
heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk
geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het
geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de
innerlijke voortreffelijkheid.”
„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het
schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in
strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”
„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.
„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor
bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”
„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende
gelegenheid uitstellen.”
De zonderling haalde de schouders op en ging heen.
„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel
tevreden gesteld,” merkte Pericles op.
„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat
hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de
leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn
tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne
ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht
tot verzoening geneigd.”
„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.
„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.
„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben;
hoe heet zij?” vervolgde Pericles.
„Aspasia!” zeide Alcamenes.
„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op
de lippen als een kus.”
II.
TELESIPPE.
Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en
peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds
bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der
Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias
gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om
aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan
verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld
der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende
oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.
Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’
gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en
besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende
knoppen schieten.
Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend
Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den
wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog
steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke
Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe
meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder
hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen
der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te
verbreiden.
Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het
binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend
bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman
opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in
gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.
„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den
heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër
in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke
gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.”
„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het
zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees
of ik het zal kunnen doorzetten....”
„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der
openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden
mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u
met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen
heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in
een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër”
noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht
is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?”
„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den
steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat
geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik
vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe
ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens
weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten
langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu
heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest
gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer
weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van
deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland
verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe
met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met
vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak
begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht
vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”
„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en
kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos
overgekomen?”
„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en
openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet
geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en
dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het
zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora
zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit
den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden
eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand
zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en
die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken
en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering
gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas
schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels,
die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar
het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen
mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen
vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te
jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het
lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te
worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder
schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen
hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.
„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich
van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo
is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de
toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede
komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden
daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner
zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon,
benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de
Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”
„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift
gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt
mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”
„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in
het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van
uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u
toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met
het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”
„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij
niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een
Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het
onmetelijk heelal.”
„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der
staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal
uitloopen.”
„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de
dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken
wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier
onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk
noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras
oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid
bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur
verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest
echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan
in het oordeelen...”
Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van
Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de
echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.
Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de
meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen
van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op
genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld
gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst,
aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds
naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu
noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge
dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.
Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot
zijn vriend:
„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te
beschouwen.”
Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.
Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis.
Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker
versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.
Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene
republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich
tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder
berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn
van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig
verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in
Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die
met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door
zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal
gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en
tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle
gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met
frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon,
maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op
de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend
uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet
aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het
woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te
verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken
familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier
nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers
ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het
altaar van den haard-beschermenden Zeus [53].
Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf,
strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der
kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten
en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met
bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het
vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed
omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang,
die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde
van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de
vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die
tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek
afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium
opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene
voorzaal, vormde.
In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door
eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van
het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.
Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat
ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar
uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de
boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare
ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een
grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen
niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles,
was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van
haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij
er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen
minder ongunstig uitkomen.
Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren
echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen,
maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier
dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.
Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het
grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had,
en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en
raadsman van haar echtgenoot op.
Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener
Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken
beducht.”
Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener
binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.
De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54]
gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek
[55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam.
Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om
het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het
hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag,
door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en
een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de
aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was.
„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed
geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste
waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan
als een noodlottig moeten beschouwen.”
Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.
Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit
het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.
„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder
hevig knetteren.”
Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne
wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts
van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met
een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek,
een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het
kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige
bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te
vinden.
De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige
trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde,
zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn
naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.
„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus,
overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht
der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars
van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram
Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en
Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene
slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der
oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met
wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!”
Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak
zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers
te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht
zullen vergezellen.”
„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.
„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna
aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een
geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken
toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij
gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet
ongevallig.”
Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in
ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken
achteloos golfden en vertrok.
„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch
tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel
aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene
te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne
holen krassen!”
Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze
met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.
Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen
volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende
de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan
de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar
ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen
ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden
de bovenlip.
„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in
het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen
te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.”
Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij
en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den
drempel van het huis de straat op.
Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de
dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder
beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste
schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk
geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken.
Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige
luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de
liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen
verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele
leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het
gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een
uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare
Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten
veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te
hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde
bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig
talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor
haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor
haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker
Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en
Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.
Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht
Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar
Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem
lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger
veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners
opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te
versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist
naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64]
genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis
van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de
jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der
Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra
[66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de
schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de
trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand;
doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren
vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds
voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was
geworden.