dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden
krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen
komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons
het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij
tot den droomer ons wenden?”
„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als
hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als
eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen,
hierheen zal lokken!”
„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is
hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan
helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met
ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?”
„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand
te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende,
achter de deur staat.”
„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles.
„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den
Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende
treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik
de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan,
terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken
held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij
zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste
leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters,
als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt
derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik,
„zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,”
hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den
overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam
ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar
den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep
zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt
gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat
waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte
zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de
tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich
verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn
verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de
tuinheining van Hipponicus staat.”
„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.”
„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij
hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?”
„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot
uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen.
Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.”
De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met
eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke
weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren.
Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had
gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde
begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste
volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk.
Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was
van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan
haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de
heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar
aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus [37],
sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels.
Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de
schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover
viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af
tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de
edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den
jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het
was de gewone chiton [38] der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg,
maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en
Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was
glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd.
Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een
purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met
een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken
bijeen.
Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer
binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en
onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch
Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak:
„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te
zien.”
„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo
gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten
onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de
beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste,
op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone
Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het
geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche
vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw
verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren,
of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig
maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of
hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat
is?”
„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de
Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was,
als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte
der Grieken door de barbaren [39] zelven, als het meest op de Goden
gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener
vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven
als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden
voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte
blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land
is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens,
bewijzen dan ook niet de Olympiërs [40] zelf, dat het hun lust en wil
is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet
boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den
Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot
bouwkunde en beeldende kunst gegeven?”
„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles
bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij
arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers,
en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.”
Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het
gesprek de geheele werkplaats van Phidias.
„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord
leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs
is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.”
De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op
Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende,
bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar
tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een
schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit
ongemunte niet te duur betaald zijn....”
Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst
zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon
hij:
„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende
kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is
overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart,
niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk,
ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van
Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem,
aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de
Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en
het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij
echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had
gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de
eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen
wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs
vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche
volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om
over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen.
Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande
tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de
Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op
alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden
gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de
gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien.
Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt
hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden
brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen
afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van
het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit
te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring,
dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst
zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan
had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des
vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen
ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere
macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en
steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste
noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen,
hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu
zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van
onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de
gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen
offeren.”
Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch,
naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin,
aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer
hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke
zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.”
„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de
droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven
zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak
vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche
staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan
worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij
ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een
staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet
steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij
zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere
middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk
achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te
doen?”
„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo
spreek!”
„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken
lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang
af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het
schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan
juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.”
De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op
zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort:
„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door
krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door
iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone
en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot
diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en
de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen.
Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?”
„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan
ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone
gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk
te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder
verleidelijke kunsten moge noemen.”
„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide
Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle
eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te
onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte,
door bekoorlijke dansen en citherspel?”
„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de
mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort:
„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar
men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te
bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de
voortreffelijkste dichters gevonden worden!”
„Gij schertst!” riepen eenige der mannen.
„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende.
„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de
schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste
oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben.
Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht
in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de
bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem,
bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als
eene schoone vrouw?”
„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam
Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!”
„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al
te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de
sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is
onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone
maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed
en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig
volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen?
Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar
balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de
harten veroveren!”
„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen,
waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone
en aan alle kunsten des vredes te wijden?”
„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de
vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te
scheppen?”
„Spreek het uit!” hernam de staatsman.
„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de
Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig
zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de
andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot
zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het
schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!”
Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.
Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene
menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik
en zulk een woord te gelijk getroffen geworden.
De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend
woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was
Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot
in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist
in het hart.
Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de
woorden der vreemde:
„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen
aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,”
ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die
er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide:
„de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar
is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger
kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat
gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u
niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer
datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten
gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet
geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een
vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene
strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt
gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat
te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons
herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer
zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn
bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes
zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen
uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig
leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe
schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen.
„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De
havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang
was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche
jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en
dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende
tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende
wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus
begonnen is geworden.”
Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op,
uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.
„Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde
Pericles, „die Pisistratus [41] begonnen is voor den Olympischen Zeus
te bouwen en waaraan sedert den val van den geweldigen man niemand
weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn, dezen eerst
te voltooien?”
„Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem
van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran [42]
voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners
laat het gedenkteeken van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot
een teeken, dat de zegen der Goden niet rust op het werk van despoten!”
„Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en
wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der
Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis staat het overoude, eerwaardige
heiligdom van Erechtheüs [43] en de stedegodin Athene, half vernield en
slechts gebrekkig na den Perzischen krijg weder voor den dienst der
Goden hersteld.”
„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber
zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn
door de sombere atmosfeer vermolmd.”
„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide
Pericles.
„Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij
weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten
schild van Athene Polias [44] in den tempel van Erechtheüs door een
ander vervangen worden—nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd,
maar steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!”
„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude
tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat
hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de
Acropolis vestigt!”
Phidias stond in gedachten verzonken.
Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn
schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten,
welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!”
Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:
„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de
burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij
cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende,
wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.”
„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede,
wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol
geestdrift luisterden zij naar hem.
„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds
eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van
Erechtheüs op den burg?”
„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit.
„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de
voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij
geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots
dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid
vereenigen!”
Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles
toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een
blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw:
„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen
Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel
de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?”
„Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld
van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere
Godin gehouden, voor eene Nemesis [45] bijvoorbeeld.”—
Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend
ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend,
toen hij dit woord hoorde.
„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is
treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier
overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus
schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele
wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna
dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de
Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de
overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant?
Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de
omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene
Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen
eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene
heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik
meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de
kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen
toevoegen.”
„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik.
„Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”