ASPASIA
DOOR
ROBERT HAMERLING
VOLLEDIGE VERTALING DOOR
W. F. P. ENKLAAR
VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE
MET ILLUSTRATIE’S VAN
A. POUSSIN
Uitgave van
Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM
Heerengracht 326
VOORREDE.
Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen
tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de
cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den
werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet
schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan
iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die
beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk
ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En
moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en
natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het
geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op
de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven
anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de
schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den
Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid?
Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat
reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het
hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die
der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende
geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig
doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende
zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn
oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich
te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar
de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.
En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de
geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke
samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van
een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in
natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een
roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de
schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst,
bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk
levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel
persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van
enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven
mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting,
als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet
alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het
algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene
episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail
zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel,
levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld
niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij
voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad
verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene
uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste
tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid,
in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de
meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het
verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of
verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en
streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen.
Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer
dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke
uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het
heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De
wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de
werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt
haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op
een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld
vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der
stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine,
onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer
ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare
reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de
vlammen overgeeft.
R. H.
Gräz, November 1875.
ASPASIA
I.
DE SCHAT VAN DELOS [1].
Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke,
jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der
Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer
vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg
ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld
haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in
de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men
eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de
straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte
van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of
achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de
verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.
Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard
reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die
van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit,
alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen,
bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van
verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een
spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen
blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee
aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten,
waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het
voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de
gemoederen.
De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel
van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare
dansen uitvoeren.
Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich
trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen.
Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de
een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch
niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger,
bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den
ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige
oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast
Agamemnon, den gebieder der volken.
De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de
oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet
voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó
diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag
onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.
Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen,
stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.
Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden
over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn
oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip,
dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag
het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van
het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den
adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te
beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de
verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem
van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip
in snelle vaart doen naderen.
Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen
betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden
muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige
strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men
een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van
den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden
rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was,
daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen
hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde
zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar
beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare
gebouwen, als met een beschuttenden arm.
Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen
vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een
oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de
verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de
eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker
wendend:
„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de
Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou
het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het
eindelijk der voltooiing nabij.”
„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste,
terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker
muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand
der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd
uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad
Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der
Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden
geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken,
zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”
De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de
Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel
echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias
geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in
de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8]
wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de
naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met
blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van
het „met violen omkranste Athenen.”
Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van
arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel
beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen
van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de
muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte
dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de
haven.
Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks
groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf
overwaaiend, ritselde.
Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en
liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër
echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de
galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de
haven naderde.
Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt.
Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt,
bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog
voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede,
statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen
omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus,
van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde,
over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den
versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den
heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10].
Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar
ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar
de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot
verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de
haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars
hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.
Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als
op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het
algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij
uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven
van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13],
van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim
vaneenspatten.
Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone
donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte
marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter
nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half
mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische
schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen.
Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van
stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen
vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als
personen in het treurspel.
Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte,
heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich
te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor
overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de
wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en
wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo
neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent
de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te
halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten
uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij
weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen
werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de
makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.
De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen.
Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige
Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en
gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem
contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te
veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men
die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze
gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt
op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als
niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar
gebrachten naam zijner eerlijkheid.
Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen
klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de
diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der
zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde
den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting
ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden.
In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige
handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel
bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte
der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere
omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken,
met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich
verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische
schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige
zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter
strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde
schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar
onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen
gebouwd worden.
Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus
zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het
Atheensche staatsschip „Amphitrite.”
Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op
alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.
„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de
Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme
Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen!
Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren
naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de
bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”
De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op
de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de
riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de
roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen
geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het
beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon
beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het
gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere,
vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde
zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.
De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het
schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van
kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt
uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever
naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor
aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en
spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs,
iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu.
Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de
volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen
zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de
trappen aan boord van het schip.
Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer
beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een
span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18]
komt aan land en spreekt met Pericles.
Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het
vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven
aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos,
de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van
Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst
genomen als cijnsen der steden en eilanden.
Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een
adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste
angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt
wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder
iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den
anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van
de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er
meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw
voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks
daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit
deze Aeölusharp zullen waaien?
„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas
[19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles
omgaven.
„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië
en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht
de Triërarch.
„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen
betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.
„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste
standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde
van Pericles.
En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen,
waren alle deze gedachten vereenigd....
Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven
naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners
verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook
Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het
volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus
tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.
Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van
den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek
verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid
van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne
vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette
Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de
andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit
vijandige oogen toe.
Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een
jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om
zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na
te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige,
juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar
den grond.
„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn
metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder
klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke
knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den
volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne
gewoonte.”
Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg
ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De
goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar
echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een
scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.
Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en
uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te
voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag
het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans
der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de
opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte.
Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden
Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had
geplaatst.
Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het
wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van
rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar
de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte
gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna
onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op
den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik
onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel
bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik
zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem
eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen
gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende
makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige
zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de
door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat:
dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het
zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van
onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel
vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij
veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend
zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis
zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen
wilde vragen.
„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder
wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep
met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de
Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg,
of woont zij ook bij andere menschen?”
„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich
op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”
„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.
„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de
bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest
gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs
waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden
brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar
een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp
vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom
gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden
aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel
een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde.
Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en
plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”
Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide
mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich
na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:
„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij
weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus
op den burg te plaatsen?”
„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische
strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken
op de Acropolis der Atheners!”
„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest
ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der
Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen
en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de
Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus
weder op!”
Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar
hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende
Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem
sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in
Syracuse leefde.
„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide
hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven
mij heftig aan te vallen.”
„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.
„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was
onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte
luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij
haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren,
de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der
makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal,
wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude
Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het
stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.
„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend,
voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte
der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe
gehelmde, lansslingerende Promachos?”
„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is
sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene
des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend
metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend
Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu
mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar
dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk,
schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den
fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van
verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de
feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet,
dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer
voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar
in gedachten—maak u niet ongerust!”
„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles,
bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet
niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij
vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn
en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten
ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren
lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur
gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te
richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans
zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand,
die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”
Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op
Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een
verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn
vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een
vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik
niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”
„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende.
„Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen
der schoone Chrysilla....”
„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen
toon:
„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en
nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij
hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de
vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten
wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone
evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen
geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te
brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb
ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten
minste gelenigd is geworden.”
De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier
schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den
Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.
Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij
tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog
even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne
werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”
„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.
„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het
Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze
onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in
Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het
slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving
kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend
is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de
Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te
versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat
Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld
zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen,
het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd
heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige
Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en
waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem
noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het
beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende
mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen
wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en
ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de
ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”
Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend
en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder
anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de
bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de
bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester
van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van
Phidias.
Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet,
bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee
hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het
witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren,
daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias,
het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun
machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die
daar vóór bijeen stonden.
De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide
beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende
indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige
verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid
en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in
breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der
beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng:
niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de
ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het
was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was
Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de
later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden
omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen
glimlach plooide nog hare lippen.
Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een
door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet
in den geest der Grieken gerijpt.
Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van
Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.
Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik
gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust
aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren,
was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij
den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was
geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog
konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet,
of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het
vorige daarnaast thans minder voldeed.
Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van
Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef
hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke
betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling,
van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters
tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen,
welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.
„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het
standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op
het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed
in de aderen, te verkeeren.”
„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den
geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld
van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde
smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”
„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles
uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks
kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien?
Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit
een beeld heeft vermocht?”
Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene
plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van
Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den
invloed dier gedachte te bestudeeren.
„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer
belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke
werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe
langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch
weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige
fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen
handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne
herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben
gezien.”
„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de
Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij
tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het
beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld;
het is de Milesische.”
„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.
„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens
gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans
harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”
„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is
zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende
Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen?
Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar
als gast in zijn huis gehuisvest.”
„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.
„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.
„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den
mond eener vrouw vernomen heb.”
„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.
„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk
tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische
in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen
zwerm gevaren.”
„Hoe dat?” vorschte Pericles.
„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat
aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog
veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot
diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis
aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis
neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder
voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de
avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen,
het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het
snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”
„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare
bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”
„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien
heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een
vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch
heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit
doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en
zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne
manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun
begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij
hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans
streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door
zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens
een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien
spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van
het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook
voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van
schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”
„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op
deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de
berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het
toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”
„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt
gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”
Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.
„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet
weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw
werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te
leggen.”
Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een
gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar
Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat
ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste
het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der
Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”
„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide
Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had;
„maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het
werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk
bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van
de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend
oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan
de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde
hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm
gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de
bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid
ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge
afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den
vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en
zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken,
dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van
gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone
ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende,
de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”
Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem
gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de
Milesische.
„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst
dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien
droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”
Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de
straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels
teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op
deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij
vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de
vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en
zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is
waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en
wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren,
keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en
Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het,
dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes
eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet
alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen,
omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer
zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot
in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers
toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te
vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te
staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat
dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het
menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene
samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en
vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw
droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening
daaromtrent te zeggen.”
„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den
mensch goddelijk?”
„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de
droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle
mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen,
wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en
aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te
gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der
Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer
Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend
is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet
hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.”