II. 2. 19. Pickt-hatch. Een beruchte buurt in Londen.

II. 2. 28. Bierhuis-uitdrukkingen. Engelsch: redlattice phrases. De

venstertralies van kroegen en publieke huizen waren roodgeverfd.

II. 2. 157. Welkome Beken. De aangenomen naam van Ford is in de folio

Broom, in de quarto-uitgave Brook; het laatste is, blijkens deze

woordspeling, juist. De eerste naam, Brook, is waarschijnlijk, om de

eene of andere reden, in Broom veranderd, zonder dat men op deze plaats

acht sloeg.—Dat iemand ter kennismaking aan een gast in een herberg een

kan wijn zond, was in Sh.’s tijd niet vreemd en bleef nog lang daarna

in zwang.—De uitroep via! is Italiaansch en beteekent: voort! vooruit!

zij was in Engeland zeer gebruikelijk.

II. 2. 311. Amaimon enz. De duivelnamen heeft Sh. ontleend aan het boek

van Reginald Scot: Inventarie of the Names, Shapes, Powers, Government

and Effects of Devils and Sprites etc. 1584.

III. 1. 17. Aan helt’re peekjes enz. In zijn angst mengt Evans in het

lied van Marlowe: The Passionate Shepherd to his Love, dat ook in „De

Verliefde Pelgrim” (aan het einde van het derde deel te vinden) is

opgenomen een vers uit den 137sten Psalm: „Aan Babels waat’ren zaten

wij”. Het oorspronkelijke luidt: By shallow rivers, by whose falls

Melodious birds sing madrigals. There will I make thee a bed of roses,

With a thousand fragant posies.

III. 3. 15. Datchetwei. Een als bleek gebruikte weide tusschen het

noorderterras van het kasteel te Windsor en de Theems, met een sloot,

die in de rivier uitloopt.

III. 3. 44. Van kraaien. From jays. Jay is de Vlaamsche gaai of

meerkol, Corvus glandarius; het woord wordt ook tot aanwijzing van

lichte vrouwen gebezigd, zie „Cymbeline” III. 4. 51.

III. 3. 45. „Is nu mijn hemelsch kleinood mijn?” Have I caught thee, my

heavenly jewel? Zoo begint het tweede lied uit Sidney’s Astrophel and

Stella. Alleen is in de folio-uitgave het woord thee ingevoegd.

III. 3. 79. De apothekersstraat in den kruidentijd. In ’t Engelsch

wordt de straat, waarin vele apotheken waren, door den naam,

Bucklersbury, aangewezen; de „kruidentijd” is natuurlijk de tijd,

waarin de meeste kruiden, simples, verzameld en gedroogd werden.

III. 3. 96. Verschuilen achter het wandtapijt. Zie 1 K. Hendrik IV, II.

4. 549 en „Hamlet”, II. 2. 163 en III. 4. 7.

III. 4. 47. Wat er ook gebeure. Er staat eigenlijk „kome kort- en

langstaart”; hij voegt er bij, dat hij zich niet zoo hoog als een

landjonker, squire, wil verheffen, misschien uit respect voor Zielig,

die een „squire” is.

IV. 1. 4. Echt separaat dol. In ’t Engelsch zegt vrouw Haastig very

courageous mad, „courageous” voor outrageous; in ’t Nederlandsch staat

natuurlijk separaat dol voor „desperaat dol”.

IV. 1. 41. De artikels worden ontleend van het pronomen. In het Latijn

zijn, zooals bekend is, geen lidwoorden. Maar ook de ouden, zelfs Varro

reeds, die ten tijde van Caesar leefde, bezigden de aanwijzende

voornaamwoorden, om de geslachten der naamwoorden te onderscheiden; zoo

zegt Varro („De lingua latina”, X. 2. 161): „In virili genre est lepus,

ex neutro nemus; dicitur enim hic lepus et hoc nemus”. Zoo heeft

langzamerhand de Grammatica der middeleeuwen van het demonstrativum als

het ware een artikel gemaakt, en in de Latijnsch-Engelsche

woordenlijsten der 15de eeuw, die nog lang in gebruik bleven, vindt men

voor ieder substantivum, naar gelang van zijn geslacht, een hic, een

hec of een hoc, of ook verkort i, e, o.

IV. 2. 77. Het dikke wijf van Brentford. Gillian (Juliana) of Jyl was

een om haar grappige invallen zeer bekende waardin uit Brentford,—een

stadje, ongeveer zeven mijlen westelijk van Londen, naar Windsor toe,

gelegen,—en ging bij velen voor een heks door.—Er werden toen doeken

gedragen, mufflers, om de kin en den mond te omhullen.

IV. 2. 110. Neem eer voor stille waat’ren u in acht. In het Engelsch

staat hier het spreekwoord: „Stille varkens eten alle draf.” Ons

spreekwoord is: „Stille waters hebben diepe gronden”.

IV. 3. 1. De Duitschers verlangen. In de folio-uitgave staat hier het

enkelvoud, en dit wisselt later af met het meervoud, als om aan te

duiden, dat een van de drie hoofdpersoon is.—Hoogstwaarschijnlijk was

de in dit stuk optredende waard een aan de toeschouwers bekende

persoonlijkheid en is hij werkelijk door Duitsche groote heeren

bedrogen, aan wie hij paarden had geleverd zonder er betaling voor te

kunnen krijgen. Dit nader aan te toonen, waarvoor bronnen genoeg

voorhanden zijn, zou hier te veel ruimte vorderen en de zaak is er niet

belangrijk genoeg voor.

IV. 4. 28. Er loopt een sprookje van den jager Hoorne. Halliwell zegt

aan het slot zijner inleiding bij een herdruk der oude quarto-uitgave:

„In a manuscript of the time of Henri VIII, in the British Museum, I

find: „Rycharde Horne, yeoman”, among „the names of the hunters which

be examyned and have confessed for hunting in his majesty’s forest”.”

Volgens de oude overlevering zou Horne, die opzichter was van het

koninklijk park, uit angst voor zijn ontslag, zich opgehangen hebben

aan den naar hem genoemden eik. Men heeft zich veel moeite gegeven, om

de plaats, die de dichter zich voor dit tooneel voorstelt, aan te

wijzen, maar het mag overbodig heeten daarover uit te wijden, en na te

gaan, welke der eiken, dien men als „eik van Horne” heeft aangewezen,

door Sh. bedoeld zou zijn. Slechts dit: de plaats lag zeker vrij dicht

bij het kasteel, want daar vond men vroeger eiken, zaagkuil (een

timmerplaats) en een droge gracht, die bij de slotgracht behoorde, bij

elkander.—In de oude quarto-uitgave is de naam des jagers, evenals in

bovenstaand document, Horne, en niet Herne, zooals in de folio-uitgaaf.

De eerste naam zal wel de juiste zijn en is in dit stuk eigenaardiger;

zie ook V. 5. 115.

IV. 5. 7. Veldbed. Trucklebed, een laag bed, op rollen, dat onder het

groote bed, dat op pooten stond, kon geborgen worden en meest voor een

bediende bestemd was.

IV. 5. 19. Ephesiër. Een vroolijke, levenslustige klant, ook wel

Corinthiër geheeten, zie 2 K. Hendrik IV, II. 2. 164 en 1 K. Hendrik

IV, II. 4. 13.—Over Boheemsche Tartaar, zie boven, blz. 328, bij I. 3.

23.

IV. 5. 66. Kerlino. Evenzoo maakt in ’t oorspronkelijke de waard van

het Engelsche varlet, „knecht”, „kerel”, het Italiaansch klinkend

varletto.

IV. 5. 104. Primero. Een kaartspel, thans onbekend, ook in K. Hendrik

VIII, V. 1. 7. vermeld.

V. 1. 1. Kom kom, enz. Dit eerste tooneel zou eigenlijk beter bij het

vorige bedrijf gevoegd zijn.

V. 5. 21. Pataten regenen, eryngiën, sneeuwen. De pas bekend geworden

aardappels en de kruisdistels werden geacht een tot mingenot opwekkende

kracht te bezitten.

V. 5. 43. Aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd. You orphan heirs of

fixed destiny. Waarschijnlijk: kinderen van aardsche ouders, die

volgens eeuwig besluit van het noodlot door de elfen geroofd en door

deze als kinderen aangenomen waren.—Met oyez, hoort (in het Engelsch

oyes, rijmend op toys), begon een heraut steeds tot stilte te

vermanen.—Voor deze woorden der Elfenkoningin staat in de folio-uitgaaf

Qui., d.i. Quickly (de naam van vrouw Haastig), voor de volgende van

Hobgoblin, de naam Pistool, wat niet anders aanduidt,—daar het voor den

druk gebezigde handschrift blijkbaar bij de vertooning van het stuk

gebezigd was,—dan dat dezelfde spelers, die vrouw Haastig en Pistool

hadden voorgesteld, nu als Feeënkoningin en Hobgoblin

optraden.—Mogelijk ondertusschen is Qui. een drukfout voor Qu., d.i.

Queen, koningin, Elfenkoningin.

V. 5. 53. Tauwtrupje. In ’t Engelsch staat Bede, d.i. Bead, in de

quarto-uitgave, om Evans’ Walliser uitspraak, Pead. Bead is een knopje,

bolletje b.v. van een rozenkrans, kraal, ook droppel, of wel alles wat

zeer klein is.

V. 5. 60. Windsors slot. Malone heeft vermoed, dat de regels, die op de

orde van den Kouseband doelen en in de quarto-uitgave van 1602

ontbreken, later bijgevoegd zijn en op het door koning Jacobus I in

1603 te Windsor gehouden feest der orde betrekking hebben. Dit

vermoeden is zeer waarschijnlijk juist. In reg. 67 wordt gesproken van

installatie van nieuwe ridders,—each fair instalment,—en in de laatste

jaren van Elizabeths regeering was er van installatie van nieuwe

ridders zoo geen sprake; daarentegen was in 1603 Sh.’s begunstiger en

vriend, graaf Southampton, onder hen, wien deze eer ten deel viel. Kort

te voren was hij nog een gevangene wegens hoogverraad en had bijna het

lot van zijn vriend Essex gedeeld; na Elizabeths dood werd hij weder in

zijn rang en zijn waardigheden hersteld en mocht naar het gebruik der

orde zijn insignia: schild, helm en banier, met zijn voor rein

verklaard wapen, boven zijn zetel in de kapel der orde ophangen. De

toevoeging with loyal blazon, reg. 68, kan zeer wel hierop doelen.

V. 5. 107. Neen, loop niet weg. De speelaanwijzing, die aan deze

woorden van Page voorafgaat, ontbreekt in de folio-uitgaaf geheel, en

is reeds door een der oudste uitgevers, Theobald, aan de eerste

quarto-uitgave met eenige wijzigingen ontleend. Dat de inhoud moet zijn

als hier gegeven is, valt niet te betwijfelen.

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 60 / 61 题