Van dit blijspel verscheen in 1602 een uitgave in quarto, welker titel
er blijkbaar op berekend was om tot koopen uit te lokken: A Most
pleasaunt and excellent conceited Comedie, of Syr John Falstaffe, and
the merrie Wives of Windsor. Entermixed with sundrie variable and
pleasing humors, of Syr Hugh the Welch Knight, Justice Shallow, and his
wise Cousin M. Slender. With the swaggering vaine of Auncient Pistoll
and Corporall Nym. By William Shakespeare. As it hath bene diuers times
Acted by the right Honorable my Lord Chamberlaines seruants. Both
before her Maiestie, and elsewhere. London Printed by T. C. for Arthur
Johnson, and are to be sold at his shop in Powles Church-yard, at the
signe of the Flower de Leuse and the Crowne. 1602. Deze T. C. is Thomas
Creede, die verscheidene der quarto-uitgaven van Shakespeare drukte.—Op
deze eerste uitgave volgde in 1619 een tweede, geheel naar deze eerste
gedrukt. In 1623 bracht de folio-uitgave een anderen en veel
uitgebreider tekst, die in 1630 in een derde quarto-uitgave woordelijk
werd afgedrukt.
De groote onvolkomenheid der eerste quarto-uitgaven valt bij het
onderzoek terstond in het oog. Wel is de volgorde der tooneelen, op een
enkele uitzondering na, dezelfde als in de folio-uitgave maar alles is
in de laatste veel fijner en beter uitgewerkt; en het aantal regels van
het geheel is er ongeveer dubbel zoo groot. De onvolkomenheid der
eerste quarto-uitgave is zoo, dat zij geenszins het eerste, niet
behoorlijk afgewerkt, later verbeterd onderwerp van Shakespeare kan
zijn; dit is onmogelijk, zelfs als wij onderstellen, dat zijn stukken
eerst na herhaalde verbetering tot stand kwamen! Zij is geheel en al
een onrechtmatige uitgave, waarvoor het onvolledig en gebrekkig
materiaal, op slinksche wijze verkregen, zoo goed en zoo kwaad het
ging, aaneengelapt werd; op welk een schaamtelooze wijze de ondernemers
daarbij vaak te werk gingen, is reeds vroeger, in dit deel, blz. 98,
vermeld.
Het stuk moet geschreven zijn na de voltooiing van K. Hendrik V, dus na
1599. Het heeft ongetwijfeld zijn ontstaan te danken aan het verlangen,
misschien door de toeschouwers kennelijk gemaakt, om de personen, die
aan het publiek in de groote Koningsstukken zooveel genoegen verschaft
hadden, nog eens, in een voor hen geschikte omgeving, in een blijspel
of veeleer klucht te zien optreden; een verlangen, waaraan Sh. dan
gehoor gaf [1]. Daartoe werd Falstaff, in K. Hendrik V reeds gestorven,
weder opgewekt, werden Bardolf en Nym, welke laatste vroeger niet met
Falstaff in aanraking was gekomen, en die beiden in datzelfde stuk
reeds opgehangen waren, weder levend gemaakt en, zooals ook Pistool en
de Page (uit het tweede deel van K. Hendrik IV), met Falstaff
samengebracht, en wel te Windsor, omdat de dichter het stuk daar
verkiest te laten spelen. Daarheen werd nu ook vrouw Haastig
verplaatst, wel nog de oude koppelaarster, maar een vreemde voor
Falstaff; zij hebben elkander niet gekend. Evenzoo is de betrekking
tusschen Zielig en Falstaff een geheel andere dan vroeger. Men ziet, al
treden er vele personen in op, die uit de Koningsstukken bekend zijn,
het stuk hangt verder niet in het minst met de overige samen; Falstaff
zelf is een geheel ander persoon dan vroeger, en laat zich op de
onzinnigste wijze door de twee vroolijke burgervrouwtjes en door den
verkleeden Ford beetnemen; ja, hij herkent zelfs den Walliser Elf aan
zijn spraak niet. Wij zijn hier op het gebied der klucht, die ook het
onwaarschijnlijkste mogelijk maakt en geschieden laat; en hiermede is
volkomen in overeenstemming, dat Falstaff ten slotte door de
overwinnende partij vriendelijk aan tafel genoodigd wordt. Het stuk wil
vroolijk en blij-eindend zijn; strenge eischen heeft de critiek hier
niet te stellen.
Enkele bijzonderheden moge de schrijver aan de eene of andere novelle
ontleend hebben,—zooals dit trouwens bij onderzoek gebleken is,—wat hij
ontleend heeft is zoo luttel, dat het onnoodig mag gerekend worden,
hierbij stil te staan.
I. 1. 1. Sir Hugo. In het latere gedeelte der middeleeuwen en ook nog
ten tijde van Shakespeare werden geestelijken, ook die van lageren
rang, met den titel Sir aangesproken, een vertaling van den Latijnschen
titel Dominus, in Nederland welbekend.
I. 1. 2. Een Sterrekamerzaak. De Sterrekamer, camera stellata,—zoo
genoemd omdat de zoldering der zittingszaal in Westminster met sterren
was versierd,—was het hooge gerechtshof, dat over oproer, hoogverraad
en dergelijke vergrijpen had te oordeelen. De wijze van procedure was
de volgende: de delinquenten werden voor den Geheimen Raad, the
council, gedaagd en ontvingen daar het bevel, zich dagelijks bij dezen
raad aan te melden en zich niet zonder verlof te verwijderen; na
eenigen tijd werden zij op onderdanige bede van deze verplichting wel
ontslagen, maar moesten bij de volgende zitting der Sterrekamer zich op
een bepaalden dag bij dit hooge gerechtshof vervoegen. De Geheime Raad
was het voorbereidend, de Sterrekamer het rechtsprekend lichaam. Daarom
spreekt Zielig, I. 1. 35, ook van den Geheimen Raad. Er was een nauw
verband tusschen dezen en de Sterrekamer, want verscheidene leden van
den eersten waren leden van de tweede. De Sterrekamer, door Hendrik VII
ingesteld, was meermalen een werktuig om vorstenwillekeur over het
gewone recht te doen zegevieren en werd daarom in 1641
opgeheven.—Blijkbaar wordt hier de ijdelheid en opgeblazenheid van
Zielig bespot, daar hij een jachtvergrijp voor het hoogste gerechtshof
brengen wil. Misschien kreeg ook de Sterrekamer zelf een veeg uit de
pan, want volgens Collier—in zijn History of English Dramatic poetry,
III, 295,—werden er twee edellieden voor haar gedaagd, die in een park
van Sir John Stanhope, vice-kamerheer der koningin, gejaagd, d.i.
gestroopt, hadden, zoodat het rechtshof zich ter wille van een groot
heer met zulk een gering vergrijp had ingelaten. Er is geen reden, om
hier de juistheid van Collier’s mededeelingen te betwijfelen.
I. 1. 6. Coram, custalorum, ratolorum, armigero. Zielig (Shallow) heeft
zich even te voren reeds esquire genoemd, wat hier met „zijn
edelgeboren” vertaald is;—de rang van esquire is één graad lager dan
die van ridder,—en nu wedijvert hij met zijn neef om zijn titels voluit
op te geven.—Als vrederechter onderteekende Zielig de getuigenverhooren
met de woorden: Jurat coram me, Roberto Shallow armigero; „hij zweert
in tegenwoordigheid van (coram) mij, Robert Shallow, esquire.” Zielig
blijkt ook custos rotulorum, bewaarder der archieven van het
graafschap, geweest te zijn; alsdan kon de formule worden: jurat coram
me, custode rotulorum, R. S., armigero. Als verkorting kon wel
geschreven worden cust-ulorum, wat door Zielig voor één woord wordt
gehouden en eenigszins verkeerd uitgesproken. Zijn neef vat coram als
een titel op, daarom brengt Zielig zijn waardigheid van „custalorum” in
herinnering, en Slapperman meent dien te moeten aanvullen met
ratolorum, waarvan hij toch ook wel eens gehoord heeft.—Met zeer
weinige trekken zijn aldus Zielig en zijn neef Slapperman (Slender)
geteekend.
I. 1. 16. Hun dozijn zilveren pietermannen. The dozen white luces. De
luce is de snoek, the pike, in het Latijn Esox lucius. Allerduidelijkst
wordt hier gezinspeeld op het wapenschild der familie Lucy, die drie
zilveren opgerichte snoeken op een veld van keel voerde. In Ferne’s
„Blazon of Gentry”, 1586, staat te lezen: „Signs of the coat should
something agree with the name. It is the coat of Geffray Lord Lucy. He
did bear gules, three lucies hariant (hauriant) argent.” („Hauriant” is
in de wapenkunde de uitdrukking voor het opgericht zijn van visschen,
alsof zij uit het water willen springen, wat bij leeuwen enz. saltant
of saliant heet.) De familie der Lucy’s bewoonde den riddermatigen
zetel Charlecote, aan den Avon, nabij Stratford, de stad, waar
Shakespeare geboren werd en ten minste tot zijn twintigste jaar bleef.
Hij kende natuurlijk het wapen der Lucy’s, zooals ieder kind destijds
de wapens der in zijn buurt wonende edellieden kende. Het dozijn
snoeken is geen overdrijving, want het schild werd ook wel in vieren
gedeeld en ieder kwartier vertoonde het drietal; zoo heeft ook Dugdale,
die de oudheden van Warwickshire beschreef, het in de kerk van
Stratford gezien.—Een oogenblik later is Zielig er over ontevreden, dat
zijn wapen versche, niet zoute visschen voert; een oud geslacht moest
gezouten visschen in zijn wapen hebben. Men gaat hieruit al licht
denken, dat er aan de oudheid of den adel van het geslacht Lucy wat
haperde. En ziet: in Dugdale’s Antiquities of Warwickshire wordt
vermeld, dat de stamboom der Lucy’s tot den tijd van Richard I reikt,
maar dat zij den naam eerst onder Hendrik III hebben aangenomen: van
Hendrik III tot Elizabeth zijn de driehonderd jaar verloopen, waarvan
Zielig spreekt; in Camden’s Britannia,—Camden was een tijdgenoot van
Sh., goed bekend met de voornaamste geslachten,—staat in de
beschrijving van Warwickshire: „Plenior hinc Avona defertur per
Charlecott, nobilis et equestris familiæ Luciorum habitationem, quæ a
Charlecottis jam olim ad illos hæreditario quasi transmigravit.”
Charlecott en Charlecottis zijn bij Camden door den druk onderscheiden,
en in zijn lijst der „Barones et illustriores familiæ” ontbreekt het
huis Lucy. Dus een edel en riddermatig huis, doch slechts
quasi-erfgenaam der Charlecotes, misschien door huwelijk of
vorstengunst in het bezit van hun zetel gekomen. Met het oog hierop,
kan men in Sh.’s woorden een bitteren hoon ontdekken: „Zij hebben de
luces in hun coat (riddermantel) en beweren, dat het een oude coat is;
doch zij hebben zich in Charlecote genesteld als louses in an old coat;
hun visschen hebben zij tot een dozijn vermeerderd om vertooning te
maken, maar het zijn en blijven versche visschen,—hun adel is
nieuwbakken,—zij voeren niet the old coat, niet het echte, oude wapen
van Charlecotte.”
Nicholas Rowe, de eerste, die na de vier folio-uitgaven van 1623, 1632,
1664 en 1685, een critische uitgave van Sh.’s dramatische werken in
1709 ondernam, voegde bij deze eenige aanteekeningen omtrent Sh.’s
leven. Hij was ze grootendeels verschuldigd aan den tooneelspeler
Betterton (geboren in 1635), die in Warwickshire berichten omtrent Sh.
ingewonnen had. Hij vermeldt, dat Sh. zich aan stroopen in de bosschen
van Sir Thomas Lucy had schuldig gemaakt, daarvoor door dezen streng
bestraft werd, zich wreekte door een scherp hekeldicht op dien edelman
en eindelijk, om vervolgingen te ontgaan, uit Stratford week en in
Londen zijn fortuin ging zoeken.—Richard Davies, Rector te Sapperton in
Glocestershire, gestorven 1708, spreekt ook van Sh.’s wilddieverij,
waarvoor hij door Lucy streng gestraft werd, zoodat hij zijn vaderstad
ontweek en, hoewel hier fortuin door makend, zeer verbitterd bleef op
genoemden edelman, dien hij tot zijn vrederechter Clotpole (Dwaashoofd)
maakte, en wien hij, met zinspeling op zijn naam, drie luizen tot wapen
gaf.
Men ziet, dat door deze mededeelingen, hoe weinig gewicht men er ook
aan hechte en hoe laat deze berichten ook verzameld mogen zijn, de
boven gegeven verklaring, die op de onderzoekingen van Herman Kurz
steunt, niet weinig bevestigd wordt. Men heeft inderdaad alle recht om
te vermoeden, dat de eerste letter van Shallow’s (Zieligs) naam is: Sir
Thomas Lucy.—Ook in 1. K. Hendrik VI, IV. 7, 61 laat Sh. een Lucy
geweldig met titels schermen.
I. 1. 19. Die dozijn silveren pieten. The dozen white louses. Hugo
Evans is een Walliser; het Engelsch is hem een vreemde taal, die hij
verbazend radbraakt, zoowel door wonderlijken zinsbouw als door
taalfouten en harde uitspraak. Zoo zegt hij hier, in plaats van lice,
louses. Toch spreekt hij het Engelsch met het grootste zelfvertrouwen,
evenals zijn landgenoot Fluellen, over wien men dit deel blz. 52 nazie.
I. 1. 59. Heeft haar grootvader enz. De folio-uitgave kent deze woorden
aan Slapperman toe; de gissing van Capell, dat Zielig ze spreken moet,
is echter zeer waarschijnlijk; tot dezen, als Slapperman’s voogd, zal
zich Evans met zijn mededeeling gewend hebben.
I. 1. 92. Bij Cotswold. Cotswold, in den volksmond Cotsall, is een
heuvelachtige grasrijke streek in Glostershire, waar vaak
volksvermakelijkheden plaats vonden.
I. 1. 116. De dochter van uw wachter niet gekust. Ongetwijfeld een
aanhaling uit een thans onbekend volksliedje of een toespeling er op.
I. 1. 130. Gij Banbury-kaas. Banbury, een stadje in Oxfordshire, was,
behalve om zijn puriteinschgezindheid, bekend om zijn bijzonder dunne
kaas. In Jack Drum’s Entertainment (1601) vindt men evenzoo: „You are
like a Banburycheese,—nothing but paring”; niets dan korst. Wordt
hiermede Slapperman’s magerheid aangewezen, evenals door het flentertje
of dun schijfje van Nym. Pistool’s Mephostophilus doelt op zijn
afschuwelijke leelijkheid, zooals het voorkomen was van den boozen
geest in Marlowe’s Faust.
I. 1. 158. Een halve kroon in scheepjesschellingen. In ’t Engelsch
mill-sixpences, munten op den muntmolen in 1561 voor het eerst
geslagen; de stempel werd later veranderd. Een kroon gelieve men hier
twee gulden waard te denken; het Engelsch heeft hier zeven grooten,
seven groats, wat samen 28 pence is; hoe het mogelijk is, zeven grooten
in zesstuiversstukken (of ƒ 1.— in schellingen) te verliezen, moge
Slapperman zelf uitleggen.—„Schuifbordschellingen”, Edward
shovel-boards zijn groote zware, onder Edward VI geslagen schellingen,
die voor het spelen op het shovel-board of shove-groat gebezigd werden.
Op dit schuifbord, den voorlooper als het ware van het biljart, werden
zulke munten, maar ook wel steentjes van een pond gewicht en meer, met
de hand voortgeschoven en moesten dan bepaalde punten of lijnen
bereiken.
I. 1. 164. Vreemd’ling van ’t gebergt. Omdat Evans een Walliser
is.—Labras, dat volgt, is Spaansch voor „lippen”; er waren in Sh.’s
tijd veel Spaansche woorden in gebruik.—Voor het „grijpschaar” staat in
’t Engelsch nuthook, een lange staak met een haak aan ’t eind, om noten
van de boomen te halen; het woord is een spotnaam te rekenen voor
politiemannen en slaat tevens nog op Slapperman’s
magerheid.—„Scharlaken en Hans” zijn de namen van twee volgelingen van
Robin Hood, die nu vereenigd op Bardolf worden toegepast, om hem te
gelijk als spitsboef en drinkebroer te kenschetsen.
I. 1. 200. Met uw verlof, lieve juffrouw! Kussen was in oud-Engeland
een zeer gewone begroeting.
I. 1. 209. Het raadselboek. In 1600 werd „The booke of merry riddles”
uitgegeven, dat grooten aftrek vond en verscheidene malen herdrukt
werd. Met het liedekens- en klinkdichtenboek kunnen de liederen en
sonnetten van den graaf van Surrey bedoeld zijn, die zeer in aanzien
waren en in het jaar 1557, waarin zij het licht zagen, driemaal gedrukt
werden, verder in 1559, 1565, 1567, 1574, 1585 en 1587.
I. 1. 211. Met de laatste Allerheiligen, veertien dagen voor Sinte
Michiel. Evenals zijn meester een eigen rekenmanier, houdt Simpel er
zijn eigen kalender op na, want Allerheiligen valt ruim vier weken na
Michaëlis.
I. 1. 282. Bedien mijn neef Zielig. Ook als men te gast was, liet men
zich toen door zijn eigen knecht bedienen.
I. 1. 307. Sackerson. Honden met beren te laten vechten was toen een
zeer geliefd volksvermaak. Sackerson was een sterke beer in
Parisgarden, Southwark, Londen.
I. 2. 13. Pippelingen en kaas. Als echt Walliser hield Evans bijzonder
veel van kaas.
I. 3. 15. Schuimen en kalken. Men schaafde, volgens Steevens, zeep op
den bodem van een bierkan, om het bier te laten schuimen; met sek werd
kalk gemengd, om die te klaren; vergelijk 1 K. Hendrik IV, II. 4. 136.
I. 3. 23. O snood Gongarisch wicht. De regel ziet er uit als een
gewijzigde versregel uit een oud drama; Gongarian staat voor Hungarian;
door deze Hongaren zijn de Zigeuners of Heidens te verstaan, evenals
men bij den Boheemschen Tartaar van den Waard (IV. 5. 21) aan dezen te
denken heeft. Bisschop Hall zegt in zijn „Satires”:
„So sharp and meagre that who should them see
Would swear they lately came from Hungary.”
En zoo kan Hongaar ook de bijbeteekenis hebben van „hongerlijder”.—In
het volgend zeggen van Nym staan de laatste woorden van Nym: „Zijn aard
is” enz. niet in de folio-, maar zijn aan de quarto-uitgave ontleend.
I. 3. 30. Een figo. Een teeken van verachting; zie 2 K. Hendrik IV, V.
3. 124 (Deel I, blz. 632).