EVANS. En ferslaafd aan ontuchten en aan herberchen, en de sek en den
wijn en de mede, en aan drinken en aan floeken, en chluren en kakelen
en krakeelen!
FALSTAFF. Ga voort, ik ben uw zondenbok, gij hebt het mij afgewonnen.
Ik ben diep verslagen; ik ben niet in staat aan het Walliser flanel een
antwoord te geven. De domheid zelve ziet een kabellengte diep op mij
neer. Doet met mij wat ge wilt.
FORD. Ja, ja, Sir, wij zullen u naar Windsor brengen, bij zekeren heer
Beek, wien gij geld afgetroggeld hebt, wien gij beloofd hadt voor
koppelaar te zullen spelen. Bij alles wat gij geleden hebt, zal het u,
denk ik, bovendien een bitter verdriet zijn, dat geld te moeten
terugbetalen.
PAGE. Blijf toch welgemoed, ridder; gij zult van avond een goede
biersoep bij mij eten, en daar zal ik u vragen mijn vrouw uit te
lachen, die nu om u lacht. Vertel haar eens, dat de heer Slapperman
haar dochter getrouwd heeft.
JUFFROUW PAGE (ter zijde). De geleerden betwijfelen dit. Als Anna Page
mijn dochter is, dan is zij op dit oogenblik de vrouw van dokter Cajus.
(Slapperman komt op.)
SLAPPERMAN. Hé, holá, ho! vader Page.
PAGE. Zoon, wat is er? wat is er, zoon? is alles in orde?
SLAPPERMAN. In orde?—De eerste lui in Glostershire zullen het weten,
ja, of ik laat mij hangen, ziedaar!
PAGE. Wat dan, zoon?
SLAPPERMAN. Ik kom daar naar Eton om met Anna Page te trouwen, en zie,
daar is zij een groote lobbes van een jongen. Als het niet in de kerk
geweest was, dan had ik hem door elkander geschud, ja, of hij mij. Als
ik niet dacht, dat het Anna Page was, mag ik nooit een lid meer
verroeren;—en het is een postmeestersjongen.
PAGE. Bij mijn ziel, dan hebt gij de verkeerde genomen.
SLAPPERMAN. Wat behoeft gij mij dat te zeggen? Dat dunkt mij ook, daar
ik een jongen voor een meisje nam. Als ik met hem getrouwd was
geworden, had ik met al zijn vrouweplunje, hem toch niet willen hebben.
PAGE. Wel, dit is niets dan uw eigen domheid. Heb ik u niet gezegd, hoe
gij mijn dochter aan haar kleeding zoudt herkennen?
SLAPPERMAN. Ik ging tot die in het wit en zeide „Pst!” en zij zeide
„Sst!” zooals Anna en ik hadden afgesproken; en toch was het Anna niet,
maar een postmeestersjongen.
JUFFROUW PAGE. Beste George, wees niet boos; ik wist van uw plan en
kleedde mijn dochter in het groen; en, om de waarheid te zeggen, zij is
nu met den dokter in de kapel, en getrouwd ook.
(Dokter Cajus komt op.)
CAJUS. Waar is juffrouw Page? Pardieu, ik zij bedroog; ik ’eb ketrouwd
un garçon, een jong; un paysan, pardieu, een jong; het is niet Anna
Page; pardieu, ik zij bedroog. 220
JUFFROUW PAGE. Wat! gij naamt toch die in ’t groen?
CAJUS. Ja, bij Kod, en die is een gnaap; bij Kod, ik zal in opstand
breng heel Windsor.
(Cajus af.)
FORD. Dat is vreemd. Wie heeft de echte Anna gekregen?
PAGE. Ik word ongerust; daar komt master Fenton.
(Fenton en Anna Page komen op.)
Wat, master Fenton!
ANNA. Vergeving, lieve vader! beste moeder!
PAGE. Ei, ei, juffertje, waarom zijt gij niet met master Slapperman
meegegaan?
JUFFROUW PAGE. Waarom gingt gij niet met den dokter mede, meisje?
FENTON. Gij brengt haar van haar stuk; verneemt nu alles.
Gij wildet haar een smaad’lijke’ echt doen sluiten,
Waar liefde nimmer wederliefde vond.
Nu staat het zoo: wij beiden, lang verbonden,
Zijn ’t nu zoo hecht, dat niets ons scheiden kan.
’t Vergrijp, dat zij gepleegd heeft, is geheiligd,
En haar misleiding heete geen bedrog,
Geen ongehoorzaamheid of plichtverzaking,
Want hierdoor meed, ontging ze een duizendtal
Godslasterlijk verwenschte heillooze uren,
Die een gedwongen echt haar brengen zou.
FORD. Staat niet onthutst; hier valt niets aan te doen.
De hemel zelf regeert bij liefde en trouw;
Koop’ geld u land, het lot verkoopt een vrouw.
FALSTAFF. Ik ben blij, dat, terwijl gij op mij gemikt hebt, uw pijl
toch nog is afgeweken.
PAGE. Wat nu?—’t Zij.—Fenton, zegene u de hemel!
Wat niet te ontgaan is, nu, dat moet men dragen.
FALSTAFF. Hij schiet allicht een bok, die ’s nachts gaat jagen.
JUFFROUW PAGE. Nu, ’k wil niet langer pruilen. Master Fenton,
De hemel schenke u veel, veel blijde dagen.—
Kom, beste man, nu allen saam naar huis;
En lachen wij bij ’t haardvuur om de grappen,
Sir John en allen.
FORD. Goed; wij gaan.—Sir John,
Toch houdt gij nog aan master Beek uw woord,
Want die, ja, slaapt van nacht bij juffrouw Ford.
(Allen af.)