ELFENKONINGIN. Verdorven, boos, in merg en ingewanden!
Komt, elfen, met een spotlied om hem heen,
En knijpt hem op de dansmaat een voor een.
ALLEN (zingend en dansend).
Weg met snoode fantasie!
Dat aan wellust recht geschiê!
Wellust is een vuur in ’t bloed,
Eerst ontglimd in ’t wulpsch gemoed,
Dan in ’t harte staâg gevoed;
Hoog en hooger stijgt de gloed,
Door gedachten aangeblazen,
Tot de vlammen loeien, razen.
Knijpt hem, elfen, naar de rij,
Knijpt hem voor zijn schelmerij;
Knijpt hem en brandt hem en wentelt hem om.
Tot kaarsen- en sterren- en maanlicht verglom.
(Gedurende dit lied knijpen de Elfen Falstaff. Dokter Cajus, Slapperman
en Fenton komen aansluiten van verschillende kanten; de eerste schaakt
een groene, de tweede een witte Elf, en Fenton Anna
Page.—Jachtgedruisch achter het tooneel; al de Elfen loopen weg.
Falstaff werpt zijn hertsgewei van zich en rijst op. Page, Ford,
juffrouw Page en juffrouw Ford komen op; Sir Hugo Evans voegt zich bij
hen. Zij houden Falstaff vast.)
PAGE. Neen, loop niet weg; wij hebben u betrapt;
Was nu de jager Hoorne uw laatste troost?
JUFFROUW PAGE. Ik bid u, zet de grap niet verder voort.—
Sir John, wat zegt ge wel van Windsors vrouwtjes?—
Man, zie eens, staat dit fraaie hoofdsieraad
Niet beter in het woud dan in de stad?
FORD. Wel, Sir, wie is nu de hoorndrager?—Mijnheer Beek, Falstaff is
een schelm, een hoorndragende schelm; daar zijn zijn horens, mijnheer
Beek; en mijnheer Beek, hij heeft niets van Ford genoten dan zijn
waschmand, zijn knuppel en twintig pond in goud, die aan den heer Beek
moeten terugbetaald worden; zijn paarden zijn er voor in beslag
genomen, mijnheer Beek. 119
JUFFROUW FORD. Sir John, wij hebben het recht ongelukkig getroffen; wij
konden maar geen samenkomst hebben. Ik zal u nooit meer tot hartelief
nemen; maar mijn hert, dat blijft gij altijd.
FALSTAFF. Ik begin te gelooven, dat men een ezel van mij gemaakt heeft.
FORD. Ja, en een os ook; van beide zijn de bewijzen voorhanden.
FALSTAFF. En waren dat geen elfen? Het is mij drie- of viermaal in de
gedachte gekomen, dat het geen elfen waren; maar het bewustzijn van
schuld, de plotselinge overrompeling van mijn geestvermogens deden mij,
spijt en trots alle redelijk menschenverstand, de grofheid van deze
fopperij voor vollen ernst opnemen, zoodat ik geloofde, dat het elfen
waren. Nu blijkt het, hoe het verstand tot een vastenavondzot kan
worden, als het op booze wegen wandelt.
EVANS. Sir John Falstaff, tien Chot, en laat af van uw pecheertens, en
de elfen sullen u niet nijpen.
FORD. Goed gezegd, elf Hugo.
EVANS. En sie gij af van uw jaloerschheden, pit ik u.
FORD. Ik zal nooit mijn vrouw meer wantrouwen, totdat gij in staat
zijt, haar in goed Engelsch het hof te maken.
FALSTAFF. Heb ik dan mijn hersenen in de zon gelegd en gedroogd, dat
zij te kort schieten om zulk een grove beetnemerij te voorkomen? En mag
nu ook nog een Walliser geit naar willekeur met mij omspringen? Moet ik
een zotskap dragen van Walliser baai? ’t Wordt tijd, dat ik stik aan
een stuk geroosterde kaas.
EVANS. Kaas is niet cheschikt om poter te cheven; uw pens is een en al
poter.
FALSTAFF. Kaas en poter! moet ik het beleven, het mikpunt te zijn van
iemand, die Engelsch tot piesjes hakt? Dit is genoeg om alle
wulpschheid en nachtlooperij in het geheele koninkrijk in verval te
brengen.
JUFFROUW PAGE. Wel, Sir John, meent gij waarlijk, dat, al hadden wij
ook alle deugd met het hoofd vooruit uit ons hart geworpen, en
gewetenloos onze zielen gansch en al aan de hel verkocht, de duivel
ooit u tot den wellust onzer oogen gemaakt zou hebben?
FORD. Wat, zulk een brijpodding! zulk een wolbaal!
JUFFROUW PAGE. Zulk een opgezwollen schepsel!
PAGE. Oud, koud, verwelkt en met een ontzettenden buik!
FORD. En zoo godslasterlijk als Satan!
PAGE. En zoo arm als Job!