VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het park.

Falstaff komt op, vermomd, met een hertsgewei op het hoofd.

FALSTAFF. De klok van Windsor heeft twaalf geslagen; het oogenblik

nadert. Nu, gij goden met verhit bloed, staat mij allen bij!—Herinner

u, Jupiter, gij werdt voor uw Europa een stier; de liefde zette u uw

horens op.—O machtige liefde! die in sommige opzichten van een dier een

mensch maakt, in sommige andere een mensch tot beest!—Zoo werdt gij ook

een zwaan, o Jupiter, uit liefde tot Leda;—o, almachtige liefde, wat

kwam een god daar een gans in gedaante nabij! Eerst een misstap, begaan

in de gedaante van een viervoetig beest; o Jupiter, een beestachtige

misstap! En dan een tweede misstap in de gelijkenis van een vogel; o

denk eens, Jupiter, welk een lichtvaardige misstap!—Als goden het warm

onder hun baadje hebben, wat moet dan de arme menschheid doen? Wat mij

betreft, ik ben hier nu een Windsorhert, en het zwaarste, denk ik, in

het gansche bosch. Zend mij een koelen bronsttijd, Jupiter, of wie kan

het mij euvel duiden, als ik mijn vet verwater?—Wie komt daar? mijn

hinde?

(Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.)

JUFFROUW FORD. Sir John zijt gij daar, mijn diertje, mijn hertebok?

FALSTAFF. Mijn hinde met de zwarte pluim?—Laat nu de hemel pataten

regenen, laat het donderen op de zangwijze van „Juffer Groenmouw”, laat

het nu geurige suikertjes hagelen en eryngiën sneeuwen; laat er een

storm van liefdeprikkels losbreken, hier heb ik mijn toevluchtsoord.

(Hij omhelst haar.)

JUFFROUW FORD. Mistress Page is met mij medegekomen, mijn hartedief!

FALSTAFF. Deelt mij als een gestroopt hert, elk een ham; mijn lenden

wil ik voor mijzelf houden, de schouders aan den jachtopziener geven;

en mijn horens vermaak ik aan uw mannen. Ben ik niet een echte Nimrod?

spreek ik niet als Hoorne de jager?—Ha, nu is eindelijk Cupido een kind

met een geweten; hij verleent schadeloosstelling! Zoo waar ik een

eerlijk spook ben, weest welkom! 33

(Gedruisch achter het tooneel.)

JUFFROUW PAGE. O God, welk een gedruisch!

JUFFROUW FORD. De hemel vergeve onze zonden!

JUFFROUW PAGE. Wat zou dat wezen?

JUFFROUW FORD EN JUFFROUW PAGE. Weg! weg!

(Zij loopen weg.)

FALSTAFF. Ik geloof, dat de duivel mij niet verdoemd wil zien en bang

is, dat mijn vet de hel in brand zou steken; anders zou hij mij nooit

zoo dwarsboomen.

(Sir Hugo Evans komt op, als Satyr vermomd, Vrouw Haastig, als

Elfenkoningin, Anna Page en anderen, als Elfen uitgedost met waskaarsen

op het hoofd, daarbij een heraut, Hobgoblin.)

ELFENKONINGIN. Gij, Elfen, zwart, groen, grauw of wit getooid,

Nachtschimmen, die bij ’t maanlicht rinkelrooit,

En aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd,

Volbrengt uw elfenplichten, hoofd voor hoofd!—

Heraut Hobgoblin, roep uw „Oyez” uit!

HOBGOBLIN. Stil, Elfen, zwijgt! luchtgeesten, geen geluid!

Gij, Krekel, hup naar Windsors haarden ras;

Is ’t vuur verzuimd, de haardplaat vol van asch,

Zoo knijp de meid er bont en blauw, en dien

Zoo uw vorstin, die niets onreins wil zien.

FALSTAFF. ’t Zijn elfen; niemand mag hun doen bespiên;

’k Val neêr, sluit de oogen, om den dood te ontvliên.

(Hij werpt zich neder, met het gelaat op den grond.)

SATYR. Tauwtrupje, cha, en treft ge een meisje aan,

Tat triemaal knielt en pidt voor ’t slapen chaan,

Bedwing haar phantasie, die onrust mint,

Haar slaap zij soet, als van een sorgloos kind;

Maar wie sich sondig neerlegt en niet pidt,

Knijp die in arm, peen, porst, in ieder lid!

ELFENKONINGIN. Op, elfen, op! van hier!

Dat thans uw schare Windsors slot doorzwier’!

Strooit goed geluk in elke heil’ge zaal,

Dat die tot de’ oordeelsdag in luister praal’;

’t Slot zij door duur en koningspracht vermaard,

Het huis den heer, de heer de huizing waard!

Schuurt de ordezetels glad, verhoogt hun pracht

Door balsemsap en fijner bloemen kracht;

Elk nieuwe ridderstoel, blazoen, helmet,

Blijve eeuwig door uw zegen vrij van smet!

Sluit, weidenelfen, nacht op nacht uw kring;

Vormt, evenals de kouseband, een ring;

Die blijve op ’t gras steeds welig, jeugdig, frisch,

Meer dan in ’t gansche veld het groen ooit is;

Dat „Honi soit qui mal y pense” er prijk’

Met bloemen, purper, wit en blauw, gelijk

Saffier en parels fonk’len aan den band,

Die rijk des eed’len ridders knie omspant;

Want schrift met bloemen is der elfen trant.

Van hier! doch tot één uur na middernacht

Zij onze dans om Hoorne’s eik volbracht;

Dat nooit die oude dans vergeten zij! 80

SATYR. Juist! hand in hand, flug! schikt u tot een rij!

Chlimwormen, twintig, spreiten bij ten tans,

Pefeel ik, als lantarens sachten chlans!

Maar stil, maar stil, ik ruik een aarteling!

FALSTAFF. De hemel beware mij voor dien Walliser elf, dat hij mij niet

in een stukje kaas verander’!

HOBGOBLIN. Gij worm, bij uw geboort’ reeds aterling!

ELFENKONINGIN. De vuurproef op zijn vingertoppen, vlug!

Want is hij rein, dan wijkt de vlam terug,

En schroomt hem leed te doen; doch toont hij smart,

Dan tuigt zijn vleesch van een verdorven hart.

HOBGOBLIN. De vuurproef, kom!

SATYR. Siet, of tit plok wil pranten!

(De Elfen branden Falstaff met de lichten.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 54 / 61 题