Het park van Windsor.
Page, Zielig en Slapperman komen op.
PAGE. Komt, komt, wij willen ons in de slotgracht verbergen, tot wij de
lichten van onze elfen zien. Denk nu maar, zoon Slapperman, aan mijn
dochter.
SLAPPERMAN. Ja zeker, wij hebben samen gesproken, en wij hebben een
wachtwoord om elkander te herkennen. Ik kom tot haar, die in het wit
is, en roep: „Pst!” en dan roept zij „Sst!” en daaraan kennen wij
elkander.
ZIELIG. Ook goed; maar wat behoeft uw „Pst!” of haar „Sst!”? Het witte
kleed zal haar duidelijk genoeg kenbaar maken.—Het is tien geslagen.
PAGE. De nacht is donker, als gemaakt voor lichten en spoken. De hemel
begunstige onze grap! Niemand heeft kwaad in den zin dan de duivel, en
dien zullen wij kennen aan zijn horens. Laat ons gaan; volgt mij!
(Alle drie af.)