Een straat in Windsor.
Juffrouw Page, juffrouw Ford en dokter Cajus komen op.
JUFFROUW PAGE. Heer dokter, mijn dochter is in het groen; als gij uw
tijd gunstig ziet, neem haar dan bij de hand, voort met haar naar de
kapel, en terstond de zaak beklonken! Ga maar vooruit, het park in. Wij
tweeën moeten er samen naar toe gaan.
CAJUS. Ik weet, wat ik ’eb te doen. Adieu.
JUFFROUW PAGE. Het ga u wel, heer. (Cajus af.)—Mijn man zal zich niet
half zoo verheugen in de tuchtiging van Falstaff, als hij zal razen
over het huwelijk van den dokter met mijn dochter. Maar dat doet er
niet toe; beter een weinig gekijf dan een groot harteleed.
JUFFROUW FORD. Waar is Anna nu, met haar elfenschaar en den Walliser
duivel Hugo?
JUFFROUW PAGE. Zij zitten allen in een kuil vlak bij den eik van
Hoorne, met gedekte lichten, die zij op het oogenblik van onze
samenkomst met Falstaff allen op eens door de nacht zullen laten
stralen.
JUFFROUW FORD. Dit kan niet anders dan hem schrik aanjagen.
JUFFROUW PAGE. En als hij ook al niet schrikt, dan wordt hij toch er
door bespot; en jaagt het hem schrik aan, dan wordt hij op alle
manieren bespottelijk.
JUFFROUW FORD. Zoo wordt hij wel terdeeg door ons geplaagd!
JUFFROUW PAGE. Op zulk een klant, die vrouwen zoo belaagt,
Zij iedere aanslag, elk bedrog gewaagd!
JUFFROUW FORD. Het uur nadert; naar den eik! naar den eik!
(Beiden af.)