DERDE TOONEEL.

Een straat in Windsor.

Juffrouw Page, juffrouw Ford en dokter Cajus komen op.

JUFFROUW PAGE. Heer dokter, mijn dochter is in het groen; als gij uw

tijd gunstig ziet, neem haar dan bij de hand, voort met haar naar de

kapel, en terstond de zaak beklonken! Ga maar vooruit, het park in. Wij

tweeën moeten er samen naar toe gaan.

CAJUS. Ik weet, wat ik ’eb te doen. Adieu.

JUFFROUW PAGE. Het ga u wel, heer. (Cajus af.)—Mijn man zal zich niet

half zoo verheugen in de tuchtiging van Falstaff, als hij zal razen

over het huwelijk van den dokter met mijn dochter. Maar dat doet er

niet toe; beter een weinig gekijf dan een groot harteleed.

JUFFROUW FORD. Waar is Anna nu, met haar elfenschaar en den Walliser

duivel Hugo?

JUFFROUW PAGE. Zij zitten allen in een kuil vlak bij den eik van

Hoorne, met gedekte lichten, die zij op het oogenblik van onze

samenkomst met Falstaff allen op eens door de nacht zullen laten

stralen.

JUFFROUW FORD. Dit kan niet anders dan hem schrik aanjagen.

JUFFROUW PAGE. En als hij ook al niet schrikt, dan wordt hij toch er

door bespot; en jaagt het hem schrik aan, dan wordt hij op alle

manieren bespottelijk.

JUFFROUW FORD. Zoo wordt hij wel terdeeg door ons geplaagd!

JUFFROUW PAGE. Op zulk een klant, die vrouwen zoo belaagt,

Zij iedere aanslag, elk bedrog gewaagd!

JUFFROUW FORD. Het uur nadert; naar den eik! naar den eik!

(Beiden af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 52 / 61 题