Een vertrek in de herberg de Kouseband.
Falstaff en vrouw Haastig komen op.
FALSTAFF. Kom, kom, geen praatjes meer; ga maar; ik houd woord. Dit is
de derde keer; ik hoop, dat oneven getallen geluk brengen. Ga nu, ga!
Het zeggen is, dat een oneven getal een heilig getal is, voor de
geboorte, voor de wisselvalligheden van ’t leven, en voor den dood.—Ga
nu heen.
VROUW HAASTIG. Een ketting zal ik u bezorgen en ik zal mijn uiterste
best doen om u een paar horens te verschaffen.
FALSTAFF. Ga heen, zeg ik; de tijd vervliegt; kin op en dribbel weg.
(Vrouw Haastig af.)
(Ford komt op.)
Gij daar, heer Beek? Mijnheer Beek, de zaak komt nu van nacht, of
nimmer in orde. Kom tegen middernacht in het park, bij den eik van
Hoorne, en gij zult wonderen zien. 13
FORD. Zijt gij dan gisteren niet bij haar geweest, Sir, zooals gij mij
gezegd hebt, dat de afspraak was?
FALSTAFF. Ik ben naar haar toe gegaan, heer Beek, zooals gij mij hier
ziet, als een arm oud man, maar van haar teruggekomen, heer Beek, als
een arme oude vrouw. Diezelfde schurk van een Ford, haar man, heeft den
sluwsten jaloerschen duivel in zijn lijf, heer Beek, die ooit een
dolkop regeerde. Ik wil het u vertellen: ik heb erbarmelijk slaag van
hem gekregen, in de gedaante van een vrouw; want in mansgedaante, heer
Beek, vrees ik zelfs Goliath niet met zijn weversboom, omdat ik ook
weet, dat het leven een weversspoel is. Ik heb haast, ga een eind weg
met mij mee; ik wil u alles vertellen, mijnheer Beek. Sinds ik aan
ganzen de veeren uittrok, spijbelde en drijftollen ranselde, wist ik
niet meer wat slaag krijgen is, dan nu pas. Ga mede; ik zal u vreemde
dingen vertellen van dien schurk van een Ford, op wien ik mij van nacht
wil wreken, en ik zal zijn vrouw in uw handen leveren.—Ga mede;
ongehoorde dingen zijn er op handen, mijnheer Beek; ga mede.
(Beiden af.)