Een kamer in de herberg de Kouseband.
De Waard en Simpel komen op.
WAARD. Waar naar toe, boer? wat wilt gij, dikhuid? Spreek, geef geluid,
deel mee, kort, bondig, vlug, snel!
SIMPEL. Wel, heer, ik kom van den heer Slapperman, en moet Sir John
Falstaff spreken.
WAARD. Daar, boven, is zijn vertrek, zijn huizing, zijn kasteel, zijn
staatsiebed en zijn veldbed. ’t Is rondom beschilderd met de
geschiedenis van den Verloren Zoon, versch en nagelnieuw. Ga, klop aan
en treed binnen; hij zal met u spreken als een anthropophagianer; klop
aan, zeg ik.
SIMPEL. Daar even is een oude vrouw, een dikke vrouw, op zijn kamer
gegaan. Ik zal zoo vrij zijn, heer, van te wachten, tot zij beneden
komt, want ik heb eigenlijk met die vrouw te spreken.
WAARD. Wat, een dikke vrouw? de ridder kon wel eens bestolen worden. Ik
wil hem roepen.—IJzerridder! Sir IJzer-John! ontlaad uw martiale
longen! zijt gij daar? het is uw waard, uw Ephesiër, die u roept.
FALSTAFF (van boven). Wat is er, mijn waard?
WAARD. Hier is een Boheemsche Tartaar, die er op wacht, dat uw dikke
vrouw beneden komt. Laat haar beneden komen, mijn ijzerman; laat haar
beneden komen; mijn kamers zijn fatsoenlijke kamers; foei,
heimelijkheden, foei!
(Falstaff komt op.)
FALSTAFF. Ja, goede waard, er was daar even een oude dikke vrouw bij
mij, maar zij is al weer weg.
SIMPEL. Ik bid u, Sir, was het niet de waarzegster uit Brentford?
FALSTAFF. Ja zeker, gapermossel. Wat wilt gij van haar?
SIMPEL. Mijn meester, Sir, mijnheer Slapperman, zag haar over de straat
gaan en heeft mij naar haar toe gestuurd, om te hooren, Sir, of een
zekere Nym, Sir, die hem een ketting heeft afgezet, den ketting heeft
of niet.
FALSTAFF. Ik heb met de oude vrouw daarover gesproken.
SIMPEL. En wat zegt zij, Sir, als ik vragen mag?
FALSTAFF. Wel, zij zegt, dat die eigen man, die den heer Slapperman
zijn ketting heeft afgezet, hem die ontfutseld heeft. 39
SIMPEL. Ik wenschte, dat ik met de vrouw zelve eens had kunnen spreken,
ik had over nog iets anders met haar te spreken, ook van zijnentwege.
FALSTAFF. En wat dan? laat hooren.
WAARD. Ja, kom, vlug!
SIMPEL. Ik mag het niet verzwijgen, Sir.
FALSTAFF. Verzwijg het, en gij zijt des doods.
SIMPEL. Nu, Sir, het is verder niets dan van juffer Anna Page, om te
weten, of het een geluk is voor mijn meester, als hij haar krijgt of
niet.
FALSTAFF. ’t Is zoo, ’t is een geluk voor hem.
SIMPEL. Wat, Sir?
FALSTAFF. Als hij haar krijgt of niet. Ga en zeg maar, dat de vrouw mij
dat gezegd heeft.
SIMPEL. Mag ik zoo vrij zijn, dat te zeggen, Sir?
FALSTAFF. Ja, knaap, zoo vrij als gij maar wilt.
SIMPEL. Ik dank uw edelheid. Ik zal mijn meester blij maken met deze
tijding.
(Simpel af.)
WAARD. Gij zijt een geleerde, gij zijt een geleerde, Sir John. Was er
daar een wijze vrouw bij u?
FALSTAFF. Ja zeker was er, mijn goede waard, een die mij meer wijsheid
geleerd heeft, dan ik ooit te voren in mijn leven leerde; en bovendien
had ik geen leergeld te betalen, maar kreeg zelf mijn leergeld in
klinkende munt uitbetaald.
(Bardolf komt op.)
BARDOLF. Ach God, heer, afzetterij! zuivere afzetterij!
WAARD. Waar zijn mijn paarden? geef er mij goede tijding van, kerlino!
BARDOLF. Op den loop met de spitsboeven, want nauwelijks hadden wij
Eton achter den rug, of zij wierpen mij, die achter een van hen zat, in
een modderpoel, en gaven den paarden de sporen, en gingen er van door
als drie Duitsche duivels, drie doctor Faustussen.
WAARD. Zij zijn doorgegaan, hun hertog te gemoet, schurk. Zeg niet, dat
zij aan den haal zijn; Duitschers zijn eerlijke lui.
(Sir Hugo Evans komt op.)
EVANS. Waar is onze waard?
WAARD. Wat is er, Sir?
EVANS. Cheef acht op uw opnemingen. Er is een friend van mij chekomen
in de stad, en die segt mij van drie Duitsche spitsboeven, die al te
waarten van Readings, fan Maidenhead, fan Coleprook heeft afcheset, fan
paarden en cheld. Ik seg u uit een choed hart, kijk toe; chij sijt een
verstandig man en fol chrappen en spotpetoelingen, en het past niet
foor u, dat chij petrogen wordt. Faar chij wel.
(Evans af.)
(Dokter Cajus komt op.)
CAJUS. Waar is mijn waard de la Jartière?
WAARD. Hier, heer dokter, in perplexiteit en een twijfelachtig dilemma.
86
CAJUS. Ik niet kan sek wat het is, maar ’et is mij kewees kezek, dat
gij maak groote préparation voor een duc d’ Allemagne; op mijn eer,
daar is geen duc, dat de ’of weet te koom. Ik u dat zeg van goed ’art.
Adieu.
(Dokter Cajus af.)
WAARD. Houd den dief! schreeuw, schurk, loop!—Help mij, ridder, ik ben
verloren!—Vlieg, loop, houd den dief! schreeuw, schurk! Ik ben
verloren!
(De Waard met Bardolf af.)
FALSTAFF. Ik wenschte, dat de geheele wereld bedrogen was, want ik ben
bedrogen, en op stokslagen onthaald er bij. Als het ter oore kwam van
het hof, hoe ik getransformeerd ben geweest en hoe mijn transformatie
gewasschen en geknuppeld is geworden, dan zouden zij al mijn vet uit
mij uitsmelten, drup voor drup, en visscherslaarzen met mij insmeren;
ik wed, dat zij mij met hun kwinkslagen zouden geeselen, tot ik
ingeschrompeld was als een gedroogde peer. Ik heb geen geluk ter wereld
meer gehad, sinds ik dien valschen eed deed bij het primero-spelen.
Waarachtig, als ik niet te kortademig was om gebeden op te zeggen, zou
ik boete gaan doen.
(Vrouw Haastig komt op.)
Nu, wie stuurt u weer hier?
VROUW HAASTIG. Wel, om de waarheid te zeggen, alle twee de partijen.
FALSTAFF. De duivel haal’ de eene partij, en zijn moer de andere! dan
zijn zij alle twee verzorgd.—Ik heb om harentwille meer uitgestaan, dan
de booze onbestendigheid van ’s menschen natuur vermag te dragen.
VROUW HAASTIG. En hebben zij dan niets uitgestaan? Ja, wel, dat
verzeker ik u, en spacieel een van de twee; juffrouw Ford, de goede
ziel, is zoo bont en blauw geslagen, dat er geen blank plekje meer aan
haar te bekennen is.
FALSTAFF. Wat praat gij van bont en blauw? Ik ben geslagen tot alle
kleuren van den regenboog; en ik ben op het punt geweest van opgepakt
te worden als de heks van Brentford; want zonder mijn
bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en mijn slag om de
bewegingen van een oude vrouw na te bootsen, zou een schoft van een
gerechtsdienaar mij in het krot, in het gemeene krot, als een heks,
geplakt hebben.
VROUW HAASTIG. Sir, laat mij eens op uw kamer met u praten; dan zult
gij hooren, hoe de zaak loopt, en, ik verzeker u, gij zult op uw dreef
zijn. Hier is een brief, die u iets vertellen zal. Goede zielen, wat is
dat een gedoe, u bij elkander te brengen! Dit is zeker, een van u leidt
geen godzalig leven, dat de hemel u zoo dwarsboomt.
FALSTAFF. Kom mede op mijn kamer.
(Beiden af).