VIJFDE TOONEEL.

Een kamer in de herberg de Kouseband.

De Waard en Simpel komen op.

WAARD. Waar naar toe, boer? wat wilt gij, dikhuid? Spreek, geef geluid,

deel mee, kort, bondig, vlug, snel!

SIMPEL. Wel, heer, ik kom van den heer Slapperman, en moet Sir John

Falstaff spreken.

WAARD. Daar, boven, is zijn vertrek, zijn huizing, zijn kasteel, zijn

staatsiebed en zijn veldbed. ’t Is rondom beschilderd met de

geschiedenis van den Verloren Zoon, versch en nagelnieuw. Ga, klop aan

en treed binnen; hij zal met u spreken als een anthropophagianer; klop

aan, zeg ik.

SIMPEL. Daar even is een oude vrouw, een dikke vrouw, op zijn kamer

gegaan. Ik zal zoo vrij zijn, heer, van te wachten, tot zij beneden

komt, want ik heb eigenlijk met die vrouw te spreken.

WAARD. Wat, een dikke vrouw? de ridder kon wel eens bestolen worden. Ik

wil hem roepen.—IJzerridder! Sir IJzer-John! ontlaad uw martiale

longen! zijt gij daar? het is uw waard, uw Ephesiër, die u roept.

FALSTAFF (van boven). Wat is er, mijn waard?

WAARD. Hier is een Boheemsche Tartaar, die er op wacht, dat uw dikke

vrouw beneden komt. Laat haar beneden komen, mijn ijzerman; laat haar

beneden komen; mijn kamers zijn fatsoenlijke kamers; foei,

heimelijkheden, foei!

(Falstaff komt op.)

FALSTAFF. Ja, goede waard, er was daar even een oude dikke vrouw bij

mij, maar zij is al weer weg.

SIMPEL. Ik bid u, Sir, was het niet de waarzegster uit Brentford?

FALSTAFF. Ja zeker, gapermossel. Wat wilt gij van haar?

SIMPEL. Mijn meester, Sir, mijnheer Slapperman, zag haar over de straat

gaan en heeft mij naar haar toe gestuurd, om te hooren, Sir, of een

zekere Nym, Sir, die hem een ketting heeft afgezet, den ketting heeft

of niet.

FALSTAFF. Ik heb met de oude vrouw daarover gesproken.

SIMPEL. En wat zegt zij, Sir, als ik vragen mag?

FALSTAFF. Wel, zij zegt, dat die eigen man, die den heer Slapperman

zijn ketting heeft afgezet, hem die ontfutseld heeft. 39

SIMPEL. Ik wenschte, dat ik met de vrouw zelve eens had kunnen spreken,

ik had over nog iets anders met haar te spreken, ook van zijnentwege.

FALSTAFF. En wat dan? laat hooren.

WAARD. Ja, kom, vlug!

SIMPEL. Ik mag het niet verzwijgen, Sir.

FALSTAFF. Verzwijg het, en gij zijt des doods.

SIMPEL. Nu, Sir, het is verder niets dan van juffer Anna Page, om te

weten, of het een geluk is voor mijn meester, als hij haar krijgt of

niet.

FALSTAFF. ’t Is zoo, ’t is een geluk voor hem.

SIMPEL. Wat, Sir?

FALSTAFF. Als hij haar krijgt of niet. Ga en zeg maar, dat de vrouw mij

dat gezegd heeft.

SIMPEL. Mag ik zoo vrij zijn, dat te zeggen, Sir?

FALSTAFF. Ja, knaap, zoo vrij als gij maar wilt.

SIMPEL. Ik dank uw edelheid. Ik zal mijn meester blij maken met deze

tijding.

(Simpel af.)

WAARD. Gij zijt een geleerde, gij zijt een geleerde, Sir John. Was er

daar een wijze vrouw bij u?

FALSTAFF. Ja zeker was er, mijn goede waard, een die mij meer wijsheid

geleerd heeft, dan ik ooit te voren in mijn leven leerde; en bovendien

had ik geen leergeld te betalen, maar kreeg zelf mijn leergeld in

klinkende munt uitbetaald.

(Bardolf komt op.)

BARDOLF. Ach God, heer, afzetterij! zuivere afzetterij!

WAARD. Waar zijn mijn paarden? geef er mij goede tijding van, kerlino!

BARDOLF. Op den loop met de spitsboeven, want nauwelijks hadden wij

Eton achter den rug, of zij wierpen mij, die achter een van hen zat, in

een modderpoel, en gaven den paarden de sporen, en gingen er van door

als drie Duitsche duivels, drie doctor Faustussen.

WAARD. Zij zijn doorgegaan, hun hertog te gemoet, schurk. Zeg niet, dat

zij aan den haal zijn; Duitschers zijn eerlijke lui.

(Sir Hugo Evans komt op.)

EVANS. Waar is onze waard?

WAARD. Wat is er, Sir?

EVANS. Cheef acht op uw opnemingen. Er is een friend van mij chekomen

in de stad, en die segt mij van drie Duitsche spitsboeven, die al te

waarten van Readings, fan Maidenhead, fan Coleprook heeft afcheset, fan

paarden en cheld. Ik seg u uit een choed hart, kijk toe; chij sijt een

verstandig man en fol chrappen en spotpetoelingen, en het past niet

foor u, dat chij petrogen wordt. Faar chij wel.

(Evans af.)

(Dokter Cajus komt op.)

CAJUS. Waar is mijn waard de la Jartière?

WAARD. Hier, heer dokter, in perplexiteit en een twijfelachtig dilemma.

86

CAJUS. Ik niet kan sek wat het is, maar ’et is mij kewees kezek, dat

gij maak groote préparation voor een duc d’ Allemagne; op mijn eer,

daar is geen duc, dat de ’of weet te koom. Ik u dat zeg van goed ’art.

Adieu.

(Dokter Cajus af.)

WAARD. Houd den dief! schreeuw, schurk, loop!—Help mij, ridder, ik ben

verloren!—Vlieg, loop, houd den dief! schreeuw, schurk! Ik ben

verloren!

(De Waard met Bardolf af.)

FALSTAFF. Ik wenschte, dat de geheele wereld bedrogen was, want ik ben

bedrogen, en op stokslagen onthaald er bij. Als het ter oore kwam van

het hof, hoe ik getransformeerd ben geweest en hoe mijn transformatie

gewasschen en geknuppeld is geworden, dan zouden zij al mijn vet uit

mij uitsmelten, drup voor drup, en visscherslaarzen met mij insmeren;

ik wed, dat zij mij met hun kwinkslagen zouden geeselen, tot ik

ingeschrompeld was als een gedroogde peer. Ik heb geen geluk ter wereld

meer gehad, sinds ik dien valschen eed deed bij het primero-spelen.

Waarachtig, als ik niet te kortademig was om gebeden op te zeggen, zou

ik boete gaan doen.

(Vrouw Haastig komt op.)

Nu, wie stuurt u weer hier?

VROUW HAASTIG. Wel, om de waarheid te zeggen, alle twee de partijen.

FALSTAFF. De duivel haal’ de eene partij, en zijn moer de andere! dan

zijn zij alle twee verzorgd.—Ik heb om harentwille meer uitgestaan, dan

de booze onbestendigheid van ’s menschen natuur vermag te dragen.

VROUW HAASTIG. En hebben zij dan niets uitgestaan? Ja, wel, dat

verzeker ik u, en spacieel een van de twee; juffrouw Ford, de goede

ziel, is zoo bont en blauw geslagen, dat er geen blank plekje meer aan

haar te bekennen is.

FALSTAFF. Wat praat gij van bont en blauw? Ik ben geslagen tot alle

kleuren van den regenboog; en ik ben op het punt geweest van opgepakt

te worden als de heks van Brentford; want zonder mijn

bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en mijn slag om de

bewegingen van een oude vrouw na te bootsen, zou een schoft van een

gerechtsdienaar mij in het krot, in het gemeene krot, als een heks,

geplakt hebben.

VROUW HAASTIG. Sir, laat mij eens op uw kamer met u praten; dan zult

gij hooren, hoe de zaak loopt, en, ik verzeker u, gij zult op uw dreef

zijn. Hier is een brief, die u iets vertellen zal. Goede zielen, wat is

dat een gedoe, u bij elkander te brengen! Dit is zeker, een van u leidt

geen godzalig leven, dat de hemel u zoo dwarsboomt.

FALSTAFF. Kom mede op mijn kamer.

(Beiden af).

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 47 / 61 题