Een ander vertrek in de herberg de Kouseband.
Fenton en de Waard komen op.
WAARD. Master Fenton, spreek mij van niets; ik ben door en door
neerslachtig; ik wil nergens meer van weten.
FENTON. Neen, hoor mij aan en help mij bij mijn plan;
Ik geef in goud, ja, op mijn aad’lijk woord,
Een honderd pond u meer, dan gij verloort.
WAARD. Nu dan, ik wil luisteren, master
Fenton; en ik wil ten minste uw geheim bewaren.
FENTON. ’k Heb u van tijd tot tijd ontdekt, wat liefde
Ik koester voor de schoone juffer Page,
Die ook naar wensch mijn teederheid beantwoordt,
Zoo ver zij voor zichzelve kiezen kan.
En nu heb ik een brief van haar ontvangen,
Welks inhoud u gewis verbazen zal;
Zij spreekt daar van een grap, die met mijn zaak
Zoo innig samenhangt, dat geen van beiden
Alleen te ontvouwen is, maar slechts als de and’re
Ook wordt gemeld. De dikke Falstaff speelt
Een groote rol er in. Het plan der grap
Wil ik u thans geheel ontvouwen. Luister,
Mijn goede waard: van nacht, bij de’ eik van Hoorne,
Speelt tusschen twaalf en een mijn dierbare Anna
Voor Elfenkoningin; ’t waarom staat hier.
In die vermomming,—terwijl and’re grappen
In vollen gang en allerdolst zijn,—moet—
Zoo wil ’t haar vader,—zij door Slapperman
Zich laten schaken en terstond in Eton
Met hem gaan trouwen; zij heeft toegestemd.
Maar, vriend,
Haar moeder, tegen dezen echt gekant,
En zeer voor dokter Cajus, heeft beslist,
Dat die, als and’re grappen allen boeien
Haar eveneens zal schaken en terstond
In de kapel, waar dan een priester wacht,
Haar huwen; hierop nu heeft zij, haar moeder
In schijn gehoorzaam, aan den dokter ook
Haar woord gegeven.—Hoor nu verder nog:
Haar vader meent, dat zij in ’t wit zal zijn,
En in die dracht met Slapperman,—als die
Den tijd gekomen ziet en bij de hand
Haar vat en haar verzoekt hem te verzellen,—
Zal medegaan;—haar moeder echter wil,
Opdat de dokter beter haar herkenne,—
Want alles moet vermomd zijn en gemaskerd,—
Dat zij in groen en los gewaad verschijnt
Met lange linten, wapp’rend om haar hoofd;
En ziet de dokter dan zijn kansen schoon,
Dan knijpt hij haar de hand, en op dit teeken
Beloofde ’t meisje met hem mee te gaan.
WAARD. En fopt zij dan haar vader of haar moeder?
FENTON. Die beiden, beste waard; zij gaat met mij.
Nu is mijn wensch, dat gij den priester zoekt,
Die tusschen twaalf en eenen in de kerk
Gereed sta, om door ’t plechtig echtverbond
’t Verbond van onze harten te bezeeg’len.
WAARD. Sla gij uw slag, den geest’lijke bestel ik;
Breng gij de bruid, de priester zal er zijn.
FENTON. Nu dan, voorwaar, blijf ik u immer dankbaar,
En loon u bovendien terstond den dienst.
(Beiden af.)