ZESDE TOONEEL.

Een ander vertrek in de herberg de Kouseband.

Fenton en de Waard komen op.

WAARD. Master Fenton, spreek mij van niets; ik ben door en door

neerslachtig; ik wil nergens meer van weten.

FENTON. Neen, hoor mij aan en help mij bij mijn plan;

Ik geef in goud, ja, op mijn aad’lijk woord,

Een honderd pond u meer, dan gij verloort.

WAARD. Nu dan, ik wil luisteren, master

Fenton; en ik wil ten minste uw geheim bewaren.

FENTON. ’k Heb u van tijd tot tijd ontdekt, wat liefde

Ik koester voor de schoone juffer Page,

Die ook naar wensch mijn teederheid beantwoordt,

Zoo ver zij voor zichzelve kiezen kan.

En nu heb ik een brief van haar ontvangen,

Welks inhoud u gewis verbazen zal;

Zij spreekt daar van een grap, die met mijn zaak

Zoo innig samenhangt, dat geen van beiden

Alleen te ontvouwen is, maar slechts als de and’re

Ook wordt gemeld. De dikke Falstaff speelt

Een groote rol er in. Het plan der grap

Wil ik u thans geheel ontvouwen. Luister,

Mijn goede waard: van nacht, bij de’ eik van Hoorne,

Speelt tusschen twaalf en een mijn dierbare Anna

Voor Elfenkoningin; ’t waarom staat hier.

In die vermomming,—terwijl and’re grappen

In vollen gang en allerdolst zijn,—moet—

Zoo wil ’t haar vader,—zij door Slapperman

Zich laten schaken en terstond in Eton

Met hem gaan trouwen; zij heeft toegestemd.

Maar, vriend,

Haar moeder, tegen dezen echt gekant,

En zeer voor dokter Cajus, heeft beslist,

Dat die, als and’re grappen allen boeien

Haar eveneens zal schaken en terstond

In de kapel, waar dan een priester wacht,

Haar huwen; hierop nu heeft zij, haar moeder

In schijn gehoorzaam, aan den dokter ook

Haar woord gegeven.—Hoor nu verder nog:

Haar vader meent, dat zij in ’t wit zal zijn,

En in die dracht met Slapperman,—als die

Den tijd gekomen ziet en bij de hand

Haar vat en haar verzoekt hem te verzellen,—

Zal medegaan;—haar moeder echter wil,

Opdat de dokter beter haar herkenne,—

Want alles moet vermomd zijn en gemaskerd,—

Dat zij in groen en los gewaad verschijnt

Met lange linten, wapp’rend om haar hoofd;

En ziet de dokter dan zijn kansen schoon,

Dan knijpt hij haar de hand, en op dit teeken

Beloofde ’t meisje met hem mee te gaan.

WAARD. En fopt zij dan haar vader of haar moeder?

FENTON. Die beiden, beste waard; zij gaat met mij.

Nu is mijn wensch, dat gij den priester zoekt,

Die tusschen twaalf en eenen in de kerk

Gereed sta, om door ’t plechtig echtverbond

’t Verbond van onze harten te bezeeg’len.

WAARD. Sla gij uw slag, den geest’lijke bestel ik;

Breng gij de bruid, de priester zal er zijn.

FENTON. Nu dan, voorwaar, blijf ik u immer dankbaar,

En loon u bovendien terstond den dienst.

(Beiden af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 48 / 61 题