Een kamer in het huis van Ford.
Ford, Page, Juffrouw Ford, Juffrouw Page en Sir Hugo Evans komen op.
EVANS. Het is een fan te teuchtelijkste frouwenpersonen, die ik ooit
chesien heb.
PAGE. En zond hij aan u beiden die brieven tegelijkertijd?
JUFFROUW PAGE. Binnen een en hetzelfde kwartier.
FORD. Vergeef mij, vrouw. Doe voortaan wat gij wilt.
’k Verwijt voortaan eer koelheid aan de zon
Dan wulpschen lust aan u. Nu staat uw eer
Voor mij, die pas een ketter was, zoo vast,
Als ooit geloof kan doen.
PAGE. Goed, goed, niet meer
Want de onderwerping zij niet overdreven,
Gelijk voorheen de krenking. Maar onze aanslag
Zij doorgezet; door onze vrouwen worde
Den ouden dikken schelm een samenkomst,
Nog eens, voor ons vermaak, verleend, waarbij
Wij hem betrappen en te schande maken.
FORD. Geen beter middel, dan wat zij daar noemden.
PAGE. Wat! een afspraak om hem te middernacht in het park te ontmoeten?
Onzin! hij komt niet.
EVANS. Chij segt, dat hij in te rifier cheworpen, en ferschrikkelijk
cheslagen is als een oude frouw; mij dunkt, hij ferschrokken sal sijn
en niet komen sal; mij dunkt, sijn fleesch chetuchtigd is en hij niet
pecheerlijkheid sal sijn.
PAGE. Dit denk ik ook.
JUFFROUW FORD. Uw zorg zij, wàt gij, als hij komt, hem aandoet;
Laat ons de zorg maar over, dàt hij komt.
JUFFROUW PAGE. Er loopt een sprookje van den jager Hoorne,
Die eens in Windsors park boschwachter was;
Die moet, den ganschen winter door, in ’t holst
Der nacht, steeds waren om een grooten eik,
Als hert, met groot en spitsgetakt gewei;
’t Geboomte doet hij dorren, ’t vee wordt krank;
De melkkoe geeft door hem geen melk, maar bloed;
Hij ratelt huiv’ringwekkend met een ketting;
Gij hebt wel van dat spook gehoord en weet,
Hoe onze suffe bijgeloovige oudjes
Dit sprookje van den jager Hoorne als waar
Tot onzen tijd in omloop deden blijven.
PAGE. Zoo is ’t; nog zijn er velen, die bij nacht
Zich bij dien eik van Hoorn’ niet zullen wagen;
Doch waartoe dit? 41
JUFFROUW FORD. Nu, zie, dit is ons plan,
Dat Falstaff bij dien eik ons zal ontmoeten
Als Hoorn’, met groote horens op den kop.
PAGE. Nu, nemen wij dan aan, dat Falstaff komt,
En zoo vermomd; maar brengt gij hem hiertoe,
Wat doet gij dan met hem? wat hebt gij voor?
JUFFROUW PAGE. Ook dit is reeds bedacht, en wel als volgt:
Mijn dochter Anna en mijn kleinen zoon,
Met drie, vier and’ren van dat slag, vermommen
Wij tot kabouters, elfen, groen en wit,
Met held’re waslichtkroontjes op het hoofd
En ratels in de hand. Zoodra wij beiden
Tot Falstaff zijn genaderd, stormen zij
Woest, plotsling, uit een zaagkuil op ons af
Met een verward gezang; op dit gezicht
Ontvlieden wij verschrikt, in grooten angst;
Doch zij omringen fluks den wulpschen ridder
En knijpen hem op elfenwijs, en vragen,
Hoe hij op ’t uur van de’ elfendans het waagt,
Hij, ongewijde, in zulk een spookgestalte
Hun heil’ge plek te naad’ren.
JUFFROUW FORD. En totdat hij
Heeft opgebiecht, wat hij daar doen kwam, gaan
De schijnbare elfen voort met hem te knijpen,
En branden hem met hunne lichten.
JUFFROUW PAGE. Heeft
Hij zoo bekend, dan snellen we allen toe,
Onthoornen ’t spook en brengen hem met hoon
Naar Windsor weer.
FORD. De kind’ren moeten goed
Geoefend zijn, of doen het niet naar eisch.
EVANS. Ik wil tie kinderen hunne chetragingen leeren, en ik wil self
een Hans Aap sijn en ten ridder pranten met mijn licht.
FORD. Voortreff’lijk; ik zal hun de maskers koopen.
JUFFROUW PAGE. Mijn Anna zal dan Elfenkoningin,
En fraai gekleed zijn in een wit gewaad.
PAGE. Daarvoor koop ik de zijde;—(Ter zijde.) en onderwijl
Moet master Slapperman mijn Anna schaken
En haar in Eton trouwen.—Zend terstond
Op Falstaff iemand af.
FORD. O, ik ga als heer Beek hem weer bezoeken,
En dan vertelt hij wis mij, wat hij doet;
Hij komt wel zeker.
JUFFROUW PAGE. Twijfel daar niet aan;
Zorg maar voor maskers en de verd’re dingen,
Die voor het elfenspel benoodigd zijn.
EVANS. Aan ’t werk! Tit sijn ferwonderlijke
chenoechens, en recht teuchtsame schelmerijen.
(Page, Ford en Evans af.)
JUFFROUW PAGE. Ga, juffrouw Ford, zend op Sir John vrouw Haastig
Fluks af, opdat wij weten, of hij komt.
(Juffrouw Ford af.)
En ik ga naar den dokter, die mijn woord heeft,
Dat hij, geen ander, trouwt met Anna Page.
Die Slapperman heeft land, maar is een ezel;
En toch, mijn man trekt hem aan allen voor;
De dokter heeft goed geld en groote vrienden
Ten hove; hij, geen ander, moge slagen,
Schoon twintigduizend beet’ren om haar vragen.
(Juffrouw Page af.)