Een kamer in de herberg de Kouseband.
De Waard en Bardolf komen op.
BARDOLF. Heer, de Duitschers verlangen drie van uwe paarden te hebben;
de hertog zelf komt morgen aan het hof, en zij willen hem te gemoet
rijden.
WAARD. Wat kan dat voor een hertog zijn, die zoo met stille trom komt?
Ik heb niets gehoord van zijn komst bij het hof. Laat mij eens met de
heeren spreken. Zij spreken Engelsch?
BARDOLF. Ja, heer, ik zal hen bij u roepen.
WAARD. Mijn paarden kunnen zij krijgen, maar ik zal hen laten betalen;
zij zullen er voor bloeden; zij hebben mijn huis een week lang in
beslag genomen; ik heb mijn andere gasten moeten afwijzen; daarvoor
moeten ze afschuiven; zij zullen er voor bloeden. Kom!
(Beiden af.)