JUFFROUW FORD. Wel neen, niemand dan mijn eigen volk. 14

JUFFROUW PAGE. Is dat waar?

JUFFROUW FORD. Ja zeker.—(Fluisterend.) Spreek wat luider.

JUFFROUW PAGE. Nu waarlijk, ik ben blij, dat gij niemand hier hebt.

JUFFROUW FORD. Waarom?

JUFFROUW PAGE. Waarom? wel, vrouwtje, uw man heeft weer zijn oude

vlagen. Hij gaat daar ginds zoo te keer tegen mijn man; hij schimpt op

alle getrouwde mannen en hij vloekt op alle Eva’s dochters zonder

onderscheid, en slaat zich op het voorhoofd en schreeuwt: „Bot uit, bot

uit!” zoodat alles, wat ik ooit van dolheid gezien heb, zacht en kalm

en geduldig was in vergelijking met de woede, die hem nu bevangen

heeft. Ik ben blij, dat de dikke ridder niet hier is.

JUFFROUW FORD. Waarom? spreekt hij dan van hem?

JUFFROUW PAGE. Van niemand anders dan van hem; en hij zweert, dat hij

de vorige maal, toen hij hem zocht, in een waschmand het huis is

uitgedragen; hij verzekert aan mijn man, dat hij op dit oogenblik hier

is, en hij heeft hem en de rest van het gezelschap hun vogeljacht doen

opgeven, om nog eens een proefje van zijn argwaan hier te geven. Maar

ik ben blij, dat de ridder niet hier is; nu kan hij zich van zijn eigen

dwaasheid overtuigen.

JUFFROUW FORD. Is hij al dicht bij, juffrouw Page?

JUFFROUW PAGE. Vlak bij, aan het eind van de straat, hij zal zoo

dadelijk hier zijn.

JUFFROUW FORD. Ik ben verloren! de ridder is hier.

JUFFROUW PAGE. Wat! O, dan komt gij geheel te schande, en hij is een

kind des doods. Foei! wat zijt gij voor een vrouw!—Hij moet weg, hij

moet weg! Liever nog schande, dan moord en doodslag!

JUFFROUW FORD. Maar waar zal hij heen? waar blijf ik met hem? zou ik

hem weer in de mand stoppen?

(Falstaff komt weder te voorschijn.)

FALSTAFF. Neen, ik ga niet weer in de mand. Kan ik niet weggaan eer hij

hier is?

JUFFROUW PAGE. Ach God, drie broeders van Ford houden aan de deur de

wacht met pistolen, opdat er niemand ontkome, anders zoudt ge nog

kunnen wegsluipen vóór hij er is. Maar wat doet gij hier? 55

FALSTAFF. Wat moet ik doen?—Ik wil in den schoorsteen kruipen.

JUFFROUW FORD. Daar schieten zij altijd hun vogelroeren in af.

JUFFROUW PAGE. Kruip in de bakoven.

FALSTAFF. Waar is die?

JUFFROUW FORD. Daar zal hij ook zoeken, op mijn woord; geen kast of

koffer, geen kist of spinde, geen kelder of put, of hij heeft een kort

overzicht van al die plaatsen, en hij doorzoekt die op het lijstje af;

er is geen mogelijkheid om u in huis te verbergen.

FALSTAFF. Dan zal ik er uit gaan.

JUFFROUW PAGE. Als gij er uit gaat in uw eigen gedaante, dan zijt gij

des doods, Sir John. Ja, als gij in een vermomming er uit kondt komen,—

JUFFROUW FORD. Hoe kunnen wij hem vermommen?

JUFFROUW PAGE. O lieve tijd, dat weet ik niet. Geen vrouwerok is wijd

genoeg voor hem; anders kon hij een kap opzetten en een kindoek en een

zakdoek nemen, en zoo ontsnappen.

FALSTAFF. Lieve vrouwtjes, bedenkt toch iets; het onmoog’lijkste nog

eer dan een ongeluk.

JUFFROUW FORD. Wacht! de moei van mijn meid, het dikke wijf van

Brentford, heeft boven een rok hangen.

JUFFROUW PAGE. Op mijn woord, die zal hem passen; zij is even dik als

hij; en dan is er ook nog haar linnen kap en haar kindoek.—Vlug naar

boven, Sir John.

JUFFROUW FORD. Ga, ga, beste Sir John; juffrouw Page en ik, wij zullen

wat linnen zoeken voor hoofdbedekking.

JUFFROUW PAGE. Vlug, vlug! wij komen u zoo dadelijk opdirken; schiet

ondertusschen den rok vast aan.

(Falstaff af.)

JUFFROUW FORD. Ik gaf er wat voor, dat mijn man hem in die verkleeding

aantrof; hij kan dat oude wijf van Brentford niet uitstaan; hij zweert

er op, dat zij een tooverkol is en hij heeft haar het huis verboden en

een pak slaag beloofd, als zij hier durft komen.

JUFFROUW PAGE. De hemel voere hem voor uws mans knuppel, en de duivel

voere vervolgens den knuppel bij het slaan!

JUFFROUW FORD. Maar komt mijn man werkelijk daar aan?

JUFFROUW PAGE. Ja, in allen ernst, hij komt; en hij praat van de mand

ook; de hemel weet hoe hij er van gehoord heeft.

JUFFROUW FORD. Daar zullen wij achter zien te komen; ik zal den knechts

last geven de mand weer weg te dragen, zoodat zij hem weer aan de deur

er mee ontmoeten, evenals de vorige maal.

JUFFROUW PAGE. Goed, maar hij kan zoo dadelijk hier wezen; wij moeten

hem nu dadelijk als de heks van Brentford gaan uitdossen. 100

JUFFROUW FORD. Ik zal eerst aan de knechts zeggen, wat zij met de

waschmand te doen hebben. Ga maar naar boven; ik breng dadelijk een

paar doeken voor hem.

(Juffrouw Ford af.)

JUFFROUW PAGE. Aan de galg met dien ontuchtigen schelm! wij kunnen hem

niet genoeg beetnemen.

Bedriegen kan, zoo leere ons doen, de schijn;

Een vrouw kan vroolijk en toch eerbaar zijn;

Zij is niet slecht, die gaarne schertst en lacht;

Neem eer voor stille waat’ren u in acht.

(Juffrouw Page af.)

(Juffrouw Ford komt weder op, met haar twee Bedienden.)

JUFFROUW FORD. Vlug, mannen, neemt de mand weer op uw schouders; uw

meester is vlak bij de deur; als hij u gelast haar neer te zetten, dan

gehoorzaamt gij. Vlug, haast u!

(Juffrouw Ford af.)

EERSTE BEDIENDE. Komaan dan, neem op.

TWEEDE BEDIENDE. De hemel geve, dat zij niet weer vol riddervleesch

zit.

EERSTE BEDIENDE. Dat hoop ik niet, ik draag al zoo lief zulk een klomp

lood.

(Ford, Page, Zielig, Cajus en Sir Hugo Evans komen op.)

FORD. Ja, maar als het toch waar blijkt te zijn, vriend Page, weet gij

dan een middel, om mij zotskap-af te doen zijn?—Ah! zet die mand neer,

schurken!—Laat er iemand mijn vrouw roepen!—Jong vleesch in een mand!—O

gij schurken van koppelaars! Het is een bende, een troep, een

samenrotting, een samenzwering tegen mij. Maar nu zal de duivel te

schande worden.—Vrouw, vrouw! zeg ik.—Er uit, er uit, gij!—Zie eens,

vrouw, wat fraaie wasch gij naar de bleek stuurt.

(Juffrouw Ford komt weder op.)

PAGE. Neen, dat gaat al te ver! Heer Ford, men kan u niet meer vrij

laten rondloopen; men moest u boeien aanleggen.

EVANS. Neen, dit is maansiekte; dat is tol als een tolle hond.

ZIELIG. Inderdaad, heer Ford, dit is niet welgedaan; inderdaad.

FORD. Dat zeg ik ook, heer.—Kom hier, juffrouw Ford; juffrouw Ford, de

eerbare vrouw, de zedige vrouw, dat deugdzaam wezen, dat een

jaloerschen gek tot man heeft!—Ik verdenk zonder eenigen grond,

mejuffrouw, niet waar?

JUFFROUW FORD. Dat doet gij,—de hemel zij mijn getuige!—indien gij mij

van eenige oneerbaarheid verdenkt.

FORD. Goed gezegd, stalen voorhoofd; houd maar vol.—Voor den dag,

kerel!

(Hij haalt waschgoed uit de mand.)

PAGE. Dat gaat te ver.

JUFFROUW FORD. Schaamt gij u niet? laat die hemden met rust.

PAGE. Ik zal u wel krijgen!

EVANS. Tat is onferstandig. Wilt gij uw frouw haar hemden uitsmijten?

Kom, laat dat.

FORD. De mand zal leeg, zeg ik.

JUFFROUW FORD. Waarom, man, waarom?

FORD. Mijnheer Page, zoo waar ik een man ben, in deze mand is gisteren

iemand mijn huis uitgedragen geworden. Waarom zou hij er niet weer in

zijn? In mijn huis is hij, dit is zeker; mijn berichten zijn echt; mijn

jaloerschheid is gegrond.—Er uit met de geheele wasch!

JUFFROUW FORD (de wasch uit de mand halend). Daar! Zoo gij daar een man

vindt, sterve hij den dood van een vloo.

PAGE. Hier is geen man.

ZIELIG. Zoo waar ik een eerlijk man ben, dit is niet welgedaan, heer

Ford; gij maakt uzelven te schande.

EVANS. Heer Ford, chij moet liefer pitten, en niet folgen de

verpeeltingen fan uw hart; tit is jaloerschheden.

FORD. Nu ja, hier is hij niet, dien ik zoek.

PAGE. Neen, en nergens anders dan in uw brein.

FORD. Helpt mij nog deze eene maal mijn huis doorzoeken; als ik niet

vind, wat ik zoek, verschoon dan mijn buitensporigheid niet in het

minst; maak mij dan voor eeuwig tot onderwerp van spot aan tafel en

laat het een spreekwoord worden: „zoo jaloersch als Ford, die een holle

noot doorzocht om zijns vrouws lief te vinden.” Doet mij nog slechts

eenmaal het genoegen en zoek het huis met mij door.

JUFFROUW FORD. Hé, juffrouw Page, kom met de oude vrouw beneden; mijn

man wil boven op de kamer zijn.

FORD. Oude vrouw! wat is dat voor een oude vrouw?

JUFFROUW FORD. Och, het is de moei van onze meid, de oude vrouw

Brentford.

FORD. Wat, die heks, dat oud wijf, die oude tooverkol! Heb ik haar mijn

huis niet verboden? Die heeft hier een boodschap te doen, niet waar?

Wij zijn onnoozele mannen; wij weten niet, wat er binnengesmokkeld

wordt onder de leus van waar te zeggen. Zij geeft zich af met tooveren,

met beheksen, met horoskooptrekken en al zulke duivelskunsten, die

boven ons bereik zijn; wij weten niets.—Kom beneden, gij tooverkol, gij

heks; kom beneden, zeg ik.

JUFFROUW FORD. Neen, lieve, beste man! O lieve heeren, laat hem toch de

oude vrouw niet slaan!

(Falstaff komt weder op, in vrouwenkleederen, geleid door juffrouw

Page.)

JUFFROUW PAGE. Kom, moeder Smeer; kom, geef mij de hand.

FORD. Ik zal haar smeren. (Hij geeft Falstaff stokslagen.) Mijn huis

uit, gij heks, gij tooverkol, gij stinkdier, gij oud vel! voort! voort!

Ik zal u bezweren, ik zal u waarzeggen! 196

(Falstaff af.)

JUFFROUW PAGE. Schaamt gij u niet? Ik geloof, dat gij de arme vrouw

hebt doodgeslagen.

JUFFROUW FORD. Ja, zoo ver zal hij het nog brengen.—Het doet u veel eer

aan.

FORD. Aan de galg met die heks!

EVANS. Pij ja en neen, ik cheloof, die frouw is intertaat een heks; ik

houd niet fan frouwen met een chrooten paard; ik heb onder haar kintoek

een chrooten paard chesien.

FORD. Wilt gij meegaan, heeren? Ik bid u, gaat mede en ziet de uitkomst

van mijn jaloerschheid. Als ik nu op een valsch spoor geblaft heb,

geloof mij dan nooit meer, als ik aansla.

PAGE. Laten wij zijn gril nog eens gehoor geven. Komt, heeren!

(Ford, Page, Zielig, Cajus en Evans af.)

JUFFROUW PAGE. Op mijn woord, hij heeft hem allererbarmelijkst

geslagen.

JUFFROUW FORD. Neen, bij Gods bloed, dat heeft hij niet; hij deed het

zonder het minste erbarmen, dacht mij.

JUFFROUW PAGE. Die knuppel moet gewijd en bij het altaar opgehangen

worden, want hij heeft een echt godzalig werk gedaan.

JUFFROUW FORD. Wat dunkt u? kunnen wij, onder borgtocht van vrouwelijke

eerbaarheid en met de getuigenis van een goed geweten, hem nog verder

met onze wraak vervolgen?

JUFFROUW PAGE. De geest van dartelheid is denkelijk wel bij hem

uitgebannen; als de duivel hem niet, met rouw- en afkoop en al, in

vollen eigendom heeft, zal hij wel nimmermeer, denk ik, ons trachten te

verleiden.

JUFFROUW FORD. Zullen wij aan onze mannen vertellen, hoe wij hem

bediend hebben?

JUFFROUW PAGE. Ja, dat in allen gevalle; al was het maar om uw man zijn

grillen uit het hoofd te bannen. Als zij het over hun hart kunnen

krijgen, den armen liederlijken, dikken ridder nog eens onder handen te

nemen, dan willen wij tweeën weer de werktuigen zijn.

JUFFROUW FORD. Ik sta er voor in, zij zullen hem in het openbaar te

schande willen maken; en mij dunkt ook, dat de grap niet volkomen is,

als hij niet openlijk beschaamd is geworden.

JUFFROUW PAGE. Kom, dan naar de smidse, en aan ’t smeden; ik wil het

ijzer niet koud laten worden.

(Beiden af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 44 / 61 题