JUFFROUW PAGE. Dit wil ik niet; ik zoek u wel een beet’ren. 88

VROUW HAASTIG. En dat is mijn meester, de heer dokter.

ANNA. O liever tot aan ’t hoofd in de aard bedolven,

En dan met knollen doodgegooid!

JUFFROUW PAGE. Kom, wees maar kalm.—Mijn goede master Fenton,

Ik ben niet voor u en niet tegen u;

Mijn dochter zal ik vragen, wat haar hart zegt;

En wat dat spreekt, zoo zal mijn keuze zijn.

Doch nu vaarwel; zij moet volstrekt naar binnen,

Want anders wordt haar vader boos.

(Juffrouw Page en Anna Page af.)

FENTON. Vaarwel, geëerde vrouw; vaarwel, mijn Anna!

VROUW HAASTIG. Zie, dat is nu mijn werk.—Wat! zeide ik, wilt gij uw

kind weggooien aan een dwaas of aan een dokter? Let wel, master Fenton;

dit is mijn werk.

FENTON. Ik dank u; en ik bid u, geef van avond

Mijn Anna dezen ring.—Hier! dit voor u.

(Fenton af.)

VROUW HAASTIG. Nu, de Hemel geve u geluk! Een goed hart heeft hij; een

vrouw zou door water en vuur loopen om zoo’n goed hart. En toch zou ik

wel willen, dat mijn meester juffer Anna kreeg; of ik zou willen, dat

die heer Slapperman haar kreeg; of, eigenlijk, ik zou willen, dat

mijnheer Fenton haar kreeg. Ik wil doen wat ik kan voor alle drie, want

dat heb ik beloofd en een man een man, een woord een woord, maar

speciaal voor mijnheer Fenton.—Och, ik heb nog weer een nieuwe

boodschap aan Sir Falstaff van mijn twee juffrouwen; wat ben ik toch

een beest, dat ik zoo treuzel!

(Vrouw Haastig af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 37 / 61 题