Een kamer in de herberg de Kouseband.
Falstaff en Bardolf komen op.
FALSTAFF. Bardolf! hoort gij?
BARDOLF. Hier, Sir.
FALSTAFF. Ga een kan sek voor mij halen; doe er een sneê geroosterd
brood in. (Bardolf af.) Heb ik dat moeten beleven, in een mand, als een
vracht slachtersafval, weggedragen en in de Theems gesmeten te worden?
Waarachtig, als ik mij ooit weer zulk een poets laat spelen, dan mag ik
mijn hersens laten uitnemen en boteren en aan een hond als
nieuwejaars-tractatie geven. De schurken lieten mij zoo onbarmhartig in
het water tuimelen, alsof zij een blinden troep jonge honden, van
vijftien in een worp, moesten verzuipen; en het is toch uit mijn omvang
wel te begrijpen, dat ik een soort van behendigheid in het zinken heb;
al was de bodem zoo diep als de hel, naar beneden zou ik. Ik zou
verdronken zijn, als de kant niet zandig en ondiep was geweest, een
dood, waar ik een afschuw van heb, want het water doet een mensch
opzwellen, en wat voor een ding zou ik geweest zijn, als ik opgezwollen
was! Ik zou een mummieberg geweest zijn! 19
(Bardolf komt weder op, met den wijn.)
BARDOLF. Daar is vrouw Haastig, Sir, om u te spreken.
FALSTAFF. Kom, laat ik wat sek bij het Theemswater gieten, want mijn
buik is zoo koud, alsof ik sneeuwballen had geslikt als pillen om mijn
nieren af te koelen. Roep haar binnen.
BARDOLF. Kom binnen, vrouwtje.
(Vrouw Haastig komt binnen.)
VROUW HAASTIG. Met uw verlof,—neem mij niet kwalijk,—ik wensch uw
edelheid een goeden morgen.
FALSTAFF. Neem die bekers weg. Ga en brouw mij een potteken sek, maar
lekker.
BARDOLF. Met eieren, Sir?
FALSTAFF. Neen, enkel van zichzelf; ik wil geen kippenzaad in mijn
brouwsel. (Bardolf af.)—Wat is er?
VROUW HAASTIG. Wel, Sir, ik kom van juffrouw Ford; zij zendt u een
vloed van groeten.
FALSTAFF. Een vloed! Nu, ik heb overvloed gehad; ik ben in een vloed
gesmeten; ik heb mijn buik vol van vloed.
VROUW HAASTIG. Ach, lieve tijd! die goeie ziel, dat was haar schuld
niet; zij is zoo giftig op haar knechts, die hebben hun erectie
verkeerd begrepen.
FALSTAFF. Dat heb ik de mijne ook gedaan, door te bouwen op de belofte
van een mal vrouwmensch.
VROUW HAASTIG. O Sir, zij lamenteert er over, dat uw hart zou breken
van het te zien.—Haar man gaat van morgen op de vogeljacht; zij vraagt
u nog eens bij haar te komen, tusschen achten en negenen. Ik moet haar
dadelijk bescheid terugbrengen; zij zal u schadeloos stellen, dat
verzeker ik u.
FALSTAFF. Nu, ik zal bij haar komen, zeg haar dat. En zeg haar ook, dat
zij eens bedenke, wat een mensch is; laat haar eens bedenken, hoe broos
die is, en daarnaar beoordeelen, wat ik verdiend heb.
VROUW HAASTIG. Ik zal het haar zeggen.
FALSTAFF. Doe dat. Tusschen negenen en tienen, zegt ge?
VROUW HAASTIG. Acht en negen, Sir.
FALSTAFF. Goed, ga nu; ik zal zorgen er te wezen.
VROUW HAASTIG. Ik wensch u den vrede, Sir.
(Vrouw Haastig af.)
FALSTAFF. Het verwondert mij, dat die heer Beek niets van zich laat
hooren. Hij liet mij zeggen, dat ik thuis moest blijven. Zijn geld
bevalt mij wel.—O, daar komt hij. 60
(Ford komt op.)
FORD. Gegroet, Sir.
FALSTAFF. Zoo, heer Beek! Gij komt zeker hooren, wat er tusschen mij en
de vrouw van Ford is voorgevallen?
FORD. Ja zeker, Sir John, daarvoor kwam ik.
FALSTAFF. Mijnheer Beek, ik wil u met geen leugens aankomen. Ik was op
het aangewezen uur bij haar aan huis.
FORD. En hoe ging het u, Sir?
FALSTAFF. Zeer slecht, mijnheer Beek.
FORD. Hoe zoo, Sir? was zij van gedachten veranderd?
FALSTAFF. Dat niet, mijnheer Beek, maar dat ellendige horenbeest, haar
man, die, mijnheer Beek, in een eeuwige onrust van jaloerschheid
verkeert, komt me daar op het oogenblik van onze ontmoeting, toen wij
elkaar slechts even omarmd, gekust, elkaar onze liefde hadden betuigd,
kortom als het ware den proloog van ons stuk hadden opgevoerd; en
achter hem komt een gansche bende van zijn rotgezellen, die hij in zijn
woede had samengeroepen en aangezet, om, waarachtig, huiszoeking te
houden naar het lief van zijn vrouw.
FORD. Wat! terwijl gij daar waart?
FALSTAFF. Terwijl ik daar was.
FORD. En hij zocht naar u en kon u niet vinden?
FALSTAFF. Dit zult gij hooren. Het geluk wilde, dat er een zekere
juffrouw Page binnenkwam, die het bericht bracht van de komst van Ford;
en die had, bij de verlegenheid van Fords vrouw, een inval; en zoo
stopten ze mij in een waschmand.
FORD. In een waschmand?
FALSTAFF. Zoo waar God leeft, in een waschmand! en zij pakten mij in
met vuile mans- en vrouwehemden met sokken en vuile kousen en smerige
servetten. O, mijnheer Beek, dat was het afschuwelijkste mengsel van
gemeene luchtjes, dat ooit een neusgat beleedigde.
FORD. En hoe lang hebt gij daarin gezeten?
FALSTAFF. O gij zult hooren, mijnheer Beek, wat ik heb moeten uitstaan,
om ten uwen bate die vrouw tot slechtheid te brengen. Toen ik zoo in de
mand gepropt was, werden er een paar van Fords schoften, zijn knechts,
geroepen door hun meesteres, om mij, onder den naam van vuile wasch,
naar de Datchetlaan te dragen. Zij namen mij op de schouders, en vlak
bij de deur ontmoetten zij den jaloerschen schelm, hun meester, die hun
een paar keer vroeg, wat zij daar in de mand hadden. Ik sidderde van
angst, dat de waanzinnige schelm aan het onderzoeken zou gaan; maar het
noodlot, dat hem tot hoorndrager bestemd heeft, hield zijn hand terug.
Nu, hij ging op zijn zoek en ik ging als vuile wasch weg. Maar let nu
op het vervolg en stel u voor, mijnheer Beek: ik ondervond de
verschrikkingen van drieërlei dood: vooreerst, een ondraaglijken angst
van ontdekt te worden door een jaloerschen stinkenden belhamel; dan,
gekromd te liggen als een goede bilbaokling in den omtrek van een
kwartschepel, gevest aan spits, hoofd en hiel; en dan vastgestopt te
zijn, als een flesch sterken drank, met stinkend vuil goed, dat in zijn
eigen vet verging. Bedenk dit,—een man van mijn slag,—bedenk dit,—die
voor de hitte zooveel als boter is, een man van voortdurend dooien en
smelten; het was een wonder, dat ik den stikdood ontging. En dan, bij
het kookpunt van dit zweetbad, toen ik meer dan half gestoofd was in
vet als een Hollandsch gerecht, in de Theems geworpen te worden en
afgekoeld, gloeiend heet, in dien stroom, als een hoefijzer,—denk eens
aan, sissend heet,—denk eens aan, mijnheer Beek.
FORD. In allen ernst, Sir, het spijt mij, dat gij om mijnentwil zooveel
hebt moeten lijden. Mijn zaak staat dus wanhopig, want gij zult om
mijnentwil geen tweede poging wagen?
FALSTAFF. Mijnheer Beek, ik wil in de Etna geworpen worden, zooals ik
in de Theems geworpen ben, eer ik van de zaak afzie. Haar man is van
ochtend op de vogeljacht gegaan; ik heb van haar een tweede
uitnoodiging tot een samenkomst ontvangen; tusschen achten en negenen
is het uur, mijnheer Beek.
FORD. Het is al over achten, Sir.
FALSTAFF. Is het? dan wil ik mij dadelijk voor mijn afspraak
gereedmaken. Kom weer bij mij, zoodra het u gelegen komt; dan zult gij
hooren, hoe ik vorder; en ten slotte willen wij aan het geheel daardoor
de kroon opzetten, dat zij de uwe wordt. Vaarwel! Gij zult haar hebben,
mijnheer Beek; mijnheer Beek, gij zult dien Ford tot horendrager maken.
(Falstaff af.)
FORD. Wat! hoe! is dit een visioen? is dit een droom? slaap ik? Vriend
Ford, ontwaak! Ontwaak, vriend Ford! Er is een scheur gekomen in uw
besten mantel, vriend Ford! Zoo gaat het, als men getrouwd is! zoo gaat
het, als men waschgoed en waschmanden heeft! Maar goed, ik zal zelf
openlijk verkondigen wat ik ben, ik wil het zwijnjak nu vatten; hij is
in mijn huis; hij kan mij niet ontsnappen; ’t is een onmoog’lijkheid,
dat hij mij ontsnapt; hij kan niet in een stuiversbeursje, niet in een
peperbus kruipen. Maar opdat de duivel, die met hem is, hem niet helpe,
wil ik de onmogelijkste hoekjes doorzoeken. Al kan ik niet afschudden,
wat ik ben, zal toch de gedachte, dat ik ben wat ik verafschuw mij niet
mak maken; als ik horens moet dragen tot dolwordens toe, zoo wil ik ook
de zegswijze eer aandoen en echt stierlijk dol zijn.
(Ford af.)