VIERDE TOONEEL.

Een kamer in het huis van Page.

Fenton en Anna Page komen op.

FENTON. Ik zie, uws vaders gunst kan ik niet winnen;

Verwijs mij, Anna-lief, niet meer naar hem.

ANNA. Helaas! wat dan?

FENTON. Beslis gij voor uzelf.

Hij maakt bezwaar: te hoog ben ik van afkomst,

En dat ik, door verkwisting veel verarmd,

Met zijn goed geld hiervoor herstelling zoek.

Nog and’re hinderpalen werpt hij op,—Mijn

vroeg’re losheid en mijn wilden omgang,

En zegt mij, dat hij ’t voor onmoog’lijk houdt,

Dat ik u anders liefheb dan om ’t geld.

ANNA. En als hij nu eens waarheid sprak?

FENTON. Neen, neen, zoo waarlijk God hierna mij helpe!

Wel, dit erken ik, was uws vaders rijkdom

Mij de eerste grond om naar uw hand te staan;

Maar dra vond ik uw waarde oneindig hooger

Dan gouden baren en verzegeld geld,

En ’t is alleen de schat van u, uzelf,

Dien ’k nu beoog.

ANNA. Mijn waarde master Fenton,

Streef naar mijns vaders gunst, ja, doe dit, heer;

En zoo de tijd, noch diep eerbiedig smeeken

Ons verder brengt, ja, dan,—kom hier en luister.

(Zij treden ter zijde en fluisteren.)

(Zielig, Slapperman en vrouw Haastig komen op.)

ZIELIG. Stoor hun gesprek, vrouw Haastig; mijn neef moet voor zichzelf

spreken.

SLAPPERMAN. Ik zal afschieten, raak of mis; voor den drommel, ’t is

maar een waag.

ZIELIG. Wees niet bedremmeld.

SLAPPERMAN. Neen, zij zal mij niet bedremmelen; daar ben ik niet bang

voor,—ik ben alleen wat angstig.

VROUW HAASTIG. Hoor eens, master Slapperman zou graag even met u

spreken.

ANNA. Nu goed, ik kom.—(Ter zijde.) Dit is mijns vaders keus.

Ach, welk een wereld leelijke gebreken

Wordt mooi door een driehonderd pond in ’t jaar!

VROUW HAASTIG. En hoe vaart de edele heer Fenton? Ik bid u, een woord

met u.

ZIELIG. Daar komt zij; op haar af, neef. O knaap, gij hadt me een

vader!

SLAPPERMAN. Ik had een vader, juffer Anna; mijn oom kan u aardige

grappen van hem vertellen.—Ik bid u, oom, vertel aan juffer Anna eens

die grap, hoe mijn vader twee ganzen uit een hok wist te stelen, beste

oom. 41

ZIELIG. Juffer Anna, mijn neef bemint u.

SLAPPERMAN. Ja, dat doe ik, zooveel als ik eenige vrouw in Glostershire

bemin.

ZIELIG. Hij zal u een leventje bezorgen als een edelvrouw.

SLAPPERMAN. Ja, dat wil ik, wat er ook gebeure, beneden den rang van

een landjonker.

ZIELIG. Hij zal u honderd en vijftig pond als weduwgeld vaststellen.

ANNA. Goede heer Zielig, laat hem toch voor zichzelven het hof maken.

ZIELIG. Nu waarachtig, ik dank u hiervoor; ik dank u voor die

bemoediging.—Zij roept u op, neef; ik ga terug.

ANNA. Nu, heer Slapperman?

SLAPPERMAN. Nu, lieve juffer Anna?

ANNA. Ten uiterste verplicht.—Wat is uw wil?

SLAPPERMAN. Mijn wil? Wel verduiveld, dat is een aardige grap. Ik heb

mijn uitersten wil nog niet gemaakt, den hemel zij dank; ik ben geen

zoo ziekelijk schepsel, en ik zegen er den hemel voor.

ANNA. Ik meen, heer Slapperman, wat gij van mij wilt?

SLAPPERMAN. O zoo; ja, ik voor mijn deel wilde weinig of niets van u.

Uw vader en mijn oom zijn de zaak begonnen. Gaat het goed voor mij, nu

goed; zoo niet, nu, wie het geluk heeft, brengt de bruid naar huis. Zij

kunnen u zeggen, hoe de zaken staan, beter dan ik; gij kunt het uw

vader vragen; daar komt hij.

(Page en juffrouw Page komen op.)

PAGE. Zoo, Slapperman!—Bemin hem, dochter Anna.—

Wat zie ik? wat doet meester Fenton hier?

Het past niet, heer, zoo in mijn huis te dringen;

Ik zeide u, heer, mijn dochter is verzegd.

FENTON. Neen, word niet boos, heer Page.

JUFFROUW PAGE. En ik zeg ook, vriend Fenton, kom mijn dochter

Niet meer bezoeken.

PAGE. Juist, ze is niet voor u.

FENTON. Heer, hoor mij aan.

PAGE. Neen, goede master Fenton.—

Vriend Zielig, kom; zoon Slapperman, kom binnen.—

Gij kent mijn wil; gij krenkt mij, master Fenton.

(Page, Zielig en Slapperman af.)

VROUW HAASTIG. Spreek eens met mistress Page.

FENTON. Daar ik uw dochter, lieve mistress Page.

Voorwaar, oprecht en innig liefheb, moet ik,

Trots weerstand en verwijt, ja onbeleefd,

Steeds voorwaarts met den standaard mijner liefde,

En nooit terug. O gun mij uwen bijstand!

ANNA. Ach, moeder, geef mij aan dien dwaashoofd niet.

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 36 / 61 题