JUFFROUW PAGE. Ik kan voor den drommel niet zeggen, hoe de heer heet,
waar mijn man hem van gekregen heeft.—Hoe heet uw ridder ook al weer,
kereltje?
ROBERT. Sir John Falstaff.
FORD. Sir John Falstaff!
JUFFROUW PAGE. Ja juist, ik kan nooit op zijn naam komen. Hij en mijn
man zijn dikke vrienden!—Uw vrouw is dus wezenlijk thuis?
FORD. Ja zeker, dat is zij.
JUFFROUW PAGE. Met uw welnemen, heer; ik ben ziek van verlangen om haar
te zien.
(Juffrouw Page met Robert af.)
FORD. Heeft Page zijn hersens nog? heeft hij oogen? heeft hij
gedachten? Voorwaar, zij zijn alle ingeslapen; hij heeft er geen
gebruik van. Wel, die knaap draagt een briefje twintig mijlen ver, even
gemakkelijk als een kanon op twintig dozijn passen het wit raakt. Hij
werkt de verliefdheid van zijn vrouw nog in de hand; hij geeft aan haar
dwaasheid vrijen loop en gelegenheid. En nu is zij op weg naar mijn
vrouw, met Falstaff’s jongen bij haar! Een man kan deze hagelbui reeds
in den wind hooren rommelen. En Falstaff’s jongen bij haar! Een fraai
complot! en in vollen gang; en onze afvallige vrouwen deelen de
verdoemenis samen. Nu, ik wil hem betrappen, en dan mijn vrouw
martelen, aan die schijnheilige juffrouw Page dien geborgden sluier van
zedigheid afrukken, en Page kenbaar maken als een zorgeloozen Actæon,
die zijn lot zelf gewild heeft; en bij deze heftige maatregelen zullen
al mijn buren uitroepen: „getroffen!” (De klok slaat.) De klok geeft
mij daar mijn wachtwoord aan, en mijn overtuiging gebiedt mij te gaan
zoeken; daar moet ik Falstaff vinden.—Ik zal hier eer om geroemd dan
uitgelachen worden, want even zeker als de aarde vast en hecht is, is
Falstaff daar; ik ga.
(Page, Zielig, Slapperman, de Waard, Sir Hugo Evans, Cajus en Rugby
komen op.)
PAGE, ZIELIG EN DE OVERIGEN. Gegroet, heer Ford.
FORD. Op mijn eer, een schoon gezelschap. Ik heb juist iets fijns thuis
en ik noodig u allen uit met mij mede te gaan.