ZIELIG. Ik moet mij verontschuldigen, waarde heer Ford. 54

SLAPPERMAN. En ik ook, heer. Wij hebben afgesproken, bij juffer Anna te

komen eten; ik zou haar mijn woord niet willen breken, zelfs voor meer

geld niet dan ik noemen kan.

ZIELIG. Wij zijn al een poos doende geweest met een huwelijk tusschen

Anna Page en mijn neef Slapperman, en vandaag zullen wij het antwoord

krijgen.

SLAPPERMAN. Ik hoop, dat ik u voor mij heb, vader Page.

PAGE. Dat hebt gij, vriend Slapperman, ik ben geheel voor u;—maar mijn

vrouw, heer dokter, staat geheel en al aan uw kant.

CAJUS. Ja, bij Kod, en het meisje mij bemin; mijn minnevrouw ’Astick

mij dat ’eef vertel.

WAARD. Wat zegt gij dan van den jongenheer Fenton? hij zingt en springt

en danst; de jeugd ziet hem uit de oogen; hij maakt verzen; hij spreekt

zondagsche taal; hij geurt naar April en Mei; hij wint het, hij wint

het, hij draagt het geluk in zijn zak; hij wint het.

PAGE. Met mijn goedvinden niet, dat beloof ik u. Dat jonge mensch is

onbemiddeld; hij heeft verkeerd met den wilden prins en met Poins; hij

is mij te hooggeboren en weet te veel. Neen, hij zal met den vinger van

mijn vermogen geen knoop leggen op zijn geluk; wil hij haar hebben, dan

moet hij haar nemen zonder bruidschat; mijn have en goed luistert naar

mijn toestemming en mijn toestemming gaat dien kant niet uit.

FORD. Ik bid u dringend, komt bij mij aan tafel, ten minste een paar

van u. Gij krijgt, behalve het onthaal, nog een vermakelijkheid: ik zal

u een wonderdier laten zien.—Heer dokter, gij moet meê,—en gij ook,

heer Page,—en gij ook, Sir Hugo.

ZIELIG. Nu, gaat dan, en vaart wel.—(Tot Slapperman.) Dan hebben wij in

Page’s huis des te meer vrijheid om het hof te maken.

(Zielig en Slapperman af.)

CAJUS. Ga naar ’uis, John Rugby; ik kom zoo dadelijk.

(Rugby af.)

WAARD. Vaartwel, mijn harten! Ik ga naar mijn braven ridder Falstaff,

om met hem een flesch sek den hals te breken.

(De Waard af.)

FORD (ter zijde). En ik hoop hem eerst nog wat versch van ’t vat te

laten proeven; en hij zal dansen, om zijn eigen hals te bergen.—Gaat

gij mede, heeren?

ALLEN. Komaan dan, wij willen uw wonderdier gaan zien.

(Allen af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 33 / 61 题