Een straat in Windsor.
Juffrouw Page en Robert komen op.
JUFFROUW PAGE. Neen, ga maar vooruit, kleine jonker; gij waart gewoon
achterna te loopen, maar nu zijt gij een voorlooper. Wat bevalt u
beter, mijn oogen te geleiden of uw oog te hebben op uws meesters
hielen?
ROBERT. Nu waarlijk, ik ga liever voor u uit als een man, dan dat ik
hem volg als een dwerg.
JUFFROUW PAGE. O gij zijt een kleine vleier; ik zie het al, gij wordt
nog eens een hoveling.
(Ford komt op.)
FORD. Verheugd u te zien, juffrouw Page. Waar gaat gij naar toe?
JUFFROUW PAGE. Wel, om de waarheid te zeggen, heer, naar uw vrouw. Is
zij thuis?
FORD. Ja en zoo lui als zij groot is; zij verveelt zich uit gemis aan
gezelschap. Ik geloof, dat, als uw mannen dood waren, gij samen zoudt
trouwen.
JUFFROUW PAGE. Wees daar verzekerd van,—met twee andere mannen.