PAGE. God zegen’ u, beste Sir Hugo. 41

EVANS. Hij segen’ u uit sijn parmhartigheid, u allen!

ZIELIG. Wat! het zwaard en het boek? doet gij aan die beide, eerwaarde

heer?

PAGE. En altijd zoo jeugdig, zonder overkleed, op dezen ruwen,

rheumatieken dag!

EVANS. Tat heeft sijn chronden en sijn oorzaken.

PAGE. Wij komen u een goeden dienst doen, eerwaarde heer.

EVANS. Seer choed, wat is het?

PAGE. Daar ginds is een zeer waardig gentleman, die naar het schijnt

van iemand beleedigd is en daardoor het zoo te kwaad heeft met zijn

eigen waardigheid en bedaardheid, als iemand maar ooit gezien heeft.

ZIELIG. Ik heb menig dozijntje jaren achter den rug, maar dit is mij

nog nooit voorgekomen, dat een man van zijn stand, zijn waardigheid en

geleerdheid zichzelven zoo schrikkelijk vergeet.

EVANS. Wie is het?

PAGE. Ik geloof, dat gij hem kent; het is de heer dokter Cajus, de

beroemde Fransche geneesheer.

EVANS. Chods marteling en sijn heilige wil sij met mij! Ik hoorde u al

soo lief fan een schotel soep met mij spreken!

PAGE. Waarom?

EVANS. Hij heeft niet zóóveel kennis van Hippocrates en Galenus, en hij

is een schelm povendien; een laffe schelm, zooals gij er maar een

verlangen kunt te sien.

PAGE. Ik sta er u voor in, dit is de man, die met hem moest vechten.

SLAPPERMAN (ter zijde). O lieflijke Anna Page!

ZIELIG. Het lijkt wel zoo, om die wapens.—Houdt hen van elkaar;—daar

komt dokter Cajus.

(De Waard, Cajus en Rugby komen op.)

PAGE. Neen, neen, beste eerwaarde heer, houd uw degen in de scheede.

ZIELIG. En gij ook, beste heer dokter.

WAARD. Ontwapen hen en laat hen samen redetwisten. Laat hen hunne armen

en beenen heel houden en ons arm Engelsch verminken!

CAJUS. Ik u bid, laat mij spreek een woord voor uwe oor; waarom wilt

gij niet komen om mij te ontmoet?

EVANS (zacht tot Cajus). Ik pit u, plijf petaard; alles op sijn tijd!

CAJUS. Bij Kod, gij zijt de lafaard, de ’aas, de ’ond.

EVANS (zacht tot Cajus). Ik pit u, laat ons niet tot lacherij worden

voor andere menschen haar spot; ik raad het u in friendschap en ik sal

u foldoening cheven op die eene of antere manier.—(Luid.) Ik wil uw

urineglazen om uw schelmschen narrepol slaan, om uw versuimen van uw

afspraken en pestellingen. 92

CAJUS. Diable!—’Ans Rugby,—mijn waard de la Jartière, ’eb ik niet

kewach op hem om hem dood te slaan? ’eb ik niet? op de plaats, die ik

’ebbe besteld?

EVANS. Zoo waar ik een christenziel ben, nu, siet chij, dit is de

pestelte plaats. Ik toe peroep op mijn waard van de Kouseband.

WAARD. Stilte, zeg ik, Gallia en Gaelia, Franschman en Wallisman,

zieledokter en lijfdokter!

CAJUS. Ja, dat is zeer koed; excellent!

WAARD. Stilte, zeg ik; hoor den waard van de Kouseband. Ben ik

politiek? ben ik slim? ben ik een Macchiavelli? Zou ik mijn dokter

kwijtraken? Neen; hij geeft mij de drankjes en de sprankjes. Zou ik

mijn eerwaarde, mijn priester, mijn Sir Hugo kwijtraken? Neen, hij

geeft mij de spreekwoorden en de nietwoorden.—Geef mij de hand,

aardeman, zoo!—Geef mij de hand, hemelman; zoo!—Kinderen der wijsheid,

ik heb u beiden bedrogen; ik heb u op verkeerde plaatsen besteld; en

daar staat gij nu met heldenharten en heelhuids; en laat nu gebrande

sek het einde zijn.—(Tot Zielig.) Kom, neem hun zwaarden in

beslag.—Volgt mij, vredeskerels, volgt mij, volgt mij.

ZIELIG. Op mijn eer, een dolle waard!—Volgt hem, gentlemen, volgt hem.

SLAPPERMAN (ter zijde). O lieflijke Anna Page!

(Zielig, Slapperman, Page en de Waard af.)

CAJUS. Ah, ’eb ik verstaan? ’ebt gij met ons de sot gespeeld? ha! ha!

EVANS. Dat is fraai; hij heeft ons sijn spotternij chemaakt.—Ik wensch

met u friend te sijn, en laat ons onse reins samenstooten om wraak te

hebben op dezen schurftigen, schoftigen, petriechelijken knaap, tien

waard van de Kousepand.

CAJUS. Bij Kod, met al mijn ’art. Hij mij beloofd te breng waar is Anna

Page; bij Kod, hij mij ook ’eef bedroog.

EVANS. Nu choet, ik wil hem sijn hersenpan inslaan.—Ik pit u, kom mee.

(Allen af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 30 / 61 题