„Aan helt’re peekjes, bij wier fal—”
De hemel sij met het recht? Wat is hij foor wapens?
SIMPEL. Geen wapens, Sir. Het is mijn meester en de heer Zielig en nog
een heer; zij komen van Frogmore, daar over den dijk, van dezen kant.
EVANS. Wees zoo choed, en cheef mij mijn opperkleed, of neen, houd het
op uw armen.
(Hij haalt een boek te voorschijn.)
(Page, Zielig en Slapperman komen op.)
ZIELIG. Ah, ziedaar onze eerwaarde! Goeden morgen, beste Sir Hugo. Ja,
ja, houd eens een speler van zijn dobbelsteenen of een geleerde van
zijn boek af, dat zou een wonder wezen.
SLAPPERMAN (ter zijde). O lieflijke Anna Page!