SIMPEL. Goed, Sir. (Hij verwijdert zich.)

EVANS. Chot pehoete mij! wat pen ik fol chalsucht en hartkloppingen!—Ik

sal plij sijn, als hij mij betroochen heeft!—Wat pen ik melancholie!—Ik

wil den schurk sijne urinechlasen op sijn pol stuk slaan, als ik er

maar een choete gelegenheid toe find;—Chot sta mij pij!

(Hij zingt).

„Aan helt’re peekjes, bij wier fal

„De fogel singt zijn matrichal,

„Taar sprei’ mijn rosenpet sijn cheuren,

„En prijk’ en glans’ in tuisend kleuren.

„Aan helt’re—”

Chot sij mij chenatig, ik heb chroote lusten tot weenen.

„De fogel singt sijn matrichal,—

„Aan Papels waat’ren saten wij,—

„En prijk’ en glans’ in tuisend kleuren.

„Aan helt’re—”

SIMPEL (terugkeerend). Daar komt hij, Sir Hugo, ginds, van dien kant.

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 28 / 61 题