FALSTAFF. Met welk deel hebt gij mij dit meegedeeld? 228

FORD. Als ik u dit gezegd heb, weet gij alles. Er zijn er, die zeggen,

dat, al doet zij zich aan mij ook nog zoo eerbaar voor, zij elders wel

eens zoo aan haar dartelheid den teugel viert, dat zij er erg van in

opspraak komt. En nu, Sir John, kom ik tot de kern van mijn plan: gij

zijt een gentleman van fijne beschaving, bewonderenswaardig talent van

praten, in de hoogste kringen gezien, invloedrijk door rang en persoon,

algemeen geschat wegens uwe hoedanigheid als soldaat, als hoveling en

als geleerde,—

FALSTAFF. O, Sir!

FORD. Geloof dit, want gij weet het zelf.—Hier is geld; verbruik het,

verbruik het; verbruik meer; verbruik al wat ik heb; alleen geef er mij

in ruil zooveel van uw tijd voor, voor een verliefden aanslag tegen de

deugd van Fords vrouw noodig is. Stel uw verleidingskunsten in het

werk: win haar, dat zij u haar gunsten schenkt; als iemand dit vermag,

dan kunt gij het zoo goed als iemand.

FALSTAFF. Zou het met de heftigheid van uw hartstocht strooken, als ik

won, wat gij wenscht te erlangen? Mij dunkt, gij schrijft uzelven zeer

verkeerde middelen voor.

FORD. O, begrijp mijn bedoeling. Zij woont zoo ongenaakbaar in de

uitnemendheid harer deugd, dat de dwaasheid mijner ziel zich niet durft

vertoonen; zij is te schitterend om tot haar op te blikken. Maar zie,

als ik eens met een ontdekking in de hand voor haar kon treden, dan

hadden mijn wenschen steun en grond om zich te doen gelden; dan kon ik

haar drijven uit het bolwerk van haar kuischheid, haar goeden naam,

haar huwelijksgelofte en die duizend verdedigingswerken meer, die nu

veel te sterk tegen mij bevestigd zijn. Wat zegt gij hierop, Sir John?

FALSTAFF. Mijnheer Beek, vooreerst ben ik zoo vrij uw geld te

aanvaarden; ten tweede, geef mij de hand; en ten laatste, zoowaar ik

een edelman ben, gij zult, als dit uw wil is, de vrouw van Ford de uwe

noemen.

FORD. O beste Sir!

FALSTAFF. Ik zeg, gij zult.

FORD. Geen zorg om geld, Sir John, daaraan zal het u niet mangelen.

FALSTAFF. Geen zorg om juffrouw Ford, mijnheer Beek, het zal u aan

juffrouw Ford niet mangelen. Ik ga zoo dadelijk naar haar toe, en

wel,—u kan ik dit wel zeggen,—heeft zijzelf mij besteld; juist toen gij

bij mij binnenkwaamt, ging haar helpster of tusschenpersoon van mij

heen. Zooals ik zeg, zal ik tusschen tienen en elven bij haar zijn,

want op dien tijd zal die jaloersche ellendige kerel, haar man, uit

zijn. Kom van avond maar bij mij aan, dan zult gij hooren, hoe ik

slaag. 278

FORD. Het is een waar geluk voor mij, dat ik met u heb kennis gemaakt?

Kent gij Ford, Sir?

FALSTAFF. Naar den duivel met dien armen sukkel van een hoorndrager; ik

ken hem niet.—Maar ik doe hem daar te kort door hem arm te noemen, want

de jaloersche kroondragende schelm heeft, zeggen ze, een massa geld, en

dat is het juist, wat zijn vrouw voor mij zoo bekoorlijk maakt. Ik wil

haar gebruiken als sleutel voor de geldkist van dien gehorenden

schavuit en in zijn huis mijn oogstfeest vieren.

FORD. Ik wenschte wel, dat gij Ford kendet, Sir, opdat gij hem uit den

weg kondt loopen, als gij hem ziet.

FALSTAFF. Naar den duivel met dien kleinburgerlijken zouteboterslokker!

Ik wil hem aanstaren, dat hij er gek van wordt; ik wil hem in ontzag

houden met mijn knuppel, die als een meteoor over de horens van den

sukkel zal zweven. Vriend Beek, gij zult zien, hoe ik den kinkel de

baas word en gij zult bij zijn vrouw slapen.—Kom van avond maar vroeg

bij mij.—Ford is een sukkel en ik wil zijn titel nog verfraaien; gij,

vriend Beek, zult hem als een hoorndragenden sukkel leeren kennen. Kom

van avond maar vroeg bij mij.

(Falstaff af.)

FORD. Wat is dat voor een vervloekte Epicurische schurk!—Mijn hart is

op het punt van nijdigheid te barsten!—Wie kan nu nog zeggen, dat het

blinde jaloezie is? Mijn vrouw heeft hem een boodschap gestuurd, het

uur is bepaald, de koop is gesloten. Zou eenig mensch dit gedacht

hebben?—O welk een hel, een ontrouw wijf te hebben! Mijn bed moet

onteerd, mijn geldkist geplunderd, mijn goede naam vertreden worden; en

ik moet niet alleen dezen gruwelijken smaad verdragen, maar mij ook de

afschuwelijkste bijnamen laten welgevallen, en dat wel van hem, die mij

dezen smaad aandoet! En welke titels, welke namen!—Amaimon klinkt goed,

Lucifer goed, Barbason goed; en toch dat zijn duivelentitels, namen van

booze geesten; maar hoorndrager! horenbeest! de duivel zelf heeft zulk

een naam niet!—Page is een ezel, een onnoozele ezel; hij wil zijn vrouw

vertrouwen! hij wil niet jaloersch wezen! Ik wil eer een Vlaming bij

mijn boter, den eerwaarden Walliser Hugo bij mijn kaas, een Ier bij

mijn brandewijnflesch of een dief voor het afrijden van mijn vosruin,

dan mijn vrouw aan haarzelf vertrouwen; want dan wordt er dadelijk

beraamd en overlegd en uitgevonden; en wat zij in haar hart hebben

voorgenomen, dat moet uitgevoerd worden, al zou haar hart er van

bersten!—Den hemel zij dank voor mijn ijverzucht!—Elf uur is de tijd;

ik zal dit voorkomen, mijn vrouw ontmaskeren, mij op Falstaff wreken,

en Page uitlachen. Dadelijk er op af! beter drie uren te vroeg dan één

minuut te laat!—Foei, foei, foei! Horen-, horen-, hoorndrager!

(Ford af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 24 / 61 题