FORD. Als ik u dit gezegd heb, weet gij alles. Er zijn er, die zeggen,
dat, al doet zij zich aan mij ook nog zoo eerbaar voor, zij elders wel
eens zoo aan haar dartelheid den teugel viert, dat zij er erg van in
opspraak komt. En nu, Sir John, kom ik tot de kern van mijn plan: gij
zijt een gentleman van fijne beschaving, bewonderenswaardig talent van
praten, in de hoogste kringen gezien, invloedrijk door rang en persoon,
algemeen geschat wegens uwe hoedanigheid als soldaat, als hoveling en
als geleerde,—
FALSTAFF. O, Sir!
FORD. Geloof dit, want gij weet het zelf.—Hier is geld; verbruik het,
verbruik het; verbruik meer; verbruik al wat ik heb; alleen geef er mij
in ruil zooveel van uw tijd voor, voor een verliefden aanslag tegen de
deugd van Fords vrouw noodig is. Stel uw verleidingskunsten in het
werk: win haar, dat zij u haar gunsten schenkt; als iemand dit vermag,
dan kunt gij het zoo goed als iemand.
FALSTAFF. Zou het met de heftigheid van uw hartstocht strooken, als ik
won, wat gij wenscht te erlangen? Mij dunkt, gij schrijft uzelven zeer
verkeerde middelen voor.
FORD. O, begrijp mijn bedoeling. Zij woont zoo ongenaakbaar in de
uitnemendheid harer deugd, dat de dwaasheid mijner ziel zich niet durft
vertoonen; zij is te schitterend om tot haar op te blikken. Maar zie,
als ik eens met een ontdekking in de hand voor haar kon treden, dan
hadden mijn wenschen steun en grond om zich te doen gelden; dan kon ik
haar drijven uit het bolwerk van haar kuischheid, haar goeden naam,
haar huwelijksgelofte en die duizend verdedigingswerken meer, die nu
veel te sterk tegen mij bevestigd zijn. Wat zegt gij hierop, Sir John?
FALSTAFF. Mijnheer Beek, vooreerst ben ik zoo vrij uw geld te
aanvaarden; ten tweede, geef mij de hand; en ten laatste, zoowaar ik
een edelman ben, gij zult, als dit uw wil is, de vrouw van Ford de uwe
noemen.
FORD. O beste Sir!
FALSTAFF. Ik zeg, gij zult.
FORD. Geen zorg om geld, Sir John, daaraan zal het u niet mangelen.
FALSTAFF. Geen zorg om juffrouw Ford, mijnheer Beek, het zal u aan
juffrouw Ford niet mangelen. Ik ga zoo dadelijk naar haar toe, en
wel,—u kan ik dit wel zeggen,—heeft zijzelf mij besteld; juist toen gij
bij mij binnenkwaamt, ging haar helpster of tusschenpersoon van mij
heen. Zooals ik zeg, zal ik tusschen tienen en elven bij haar zijn,
want op dien tijd zal die jaloersche ellendige kerel, haar man, uit
zijn. Kom van avond maar bij mij aan, dan zult gij hooren, hoe ik
slaag. 278
FORD. Het is een waar geluk voor mij, dat ik met u heb kennis gemaakt?
Kent gij Ford, Sir?
FALSTAFF. Naar den duivel met dien armen sukkel van een hoorndrager; ik
ken hem niet.—Maar ik doe hem daar te kort door hem arm te noemen, want
de jaloersche kroondragende schelm heeft, zeggen ze, een massa geld, en
dat is het juist, wat zijn vrouw voor mij zoo bekoorlijk maakt. Ik wil
haar gebruiken als sleutel voor de geldkist van dien gehorenden
schavuit en in zijn huis mijn oogstfeest vieren.
FORD. Ik wenschte wel, dat gij Ford kendet, Sir, opdat gij hem uit den
weg kondt loopen, als gij hem ziet.
FALSTAFF. Naar den duivel met dien kleinburgerlijken zouteboterslokker!
Ik wil hem aanstaren, dat hij er gek van wordt; ik wil hem in ontzag
houden met mijn knuppel, die als een meteoor over de horens van den
sukkel zal zweven. Vriend Beek, gij zult zien, hoe ik den kinkel de
baas word en gij zult bij zijn vrouw slapen.—Kom van avond maar vroeg
bij mij.—Ford is een sukkel en ik wil zijn titel nog verfraaien; gij,
vriend Beek, zult hem als een hoorndragenden sukkel leeren kennen. Kom
van avond maar vroeg bij mij.
(Falstaff af.)
FORD. Wat is dat voor een vervloekte Epicurische schurk!—Mijn hart is
op het punt van nijdigheid te barsten!—Wie kan nu nog zeggen, dat het
blinde jaloezie is? Mijn vrouw heeft hem een boodschap gestuurd, het
uur is bepaald, de koop is gesloten. Zou eenig mensch dit gedacht
hebben?—O welk een hel, een ontrouw wijf te hebben! Mijn bed moet
onteerd, mijn geldkist geplunderd, mijn goede naam vertreden worden; en
ik moet niet alleen dezen gruwelijken smaad verdragen, maar mij ook de
afschuwelijkste bijnamen laten welgevallen, en dat wel van hem, die mij
dezen smaad aandoet! En welke titels, welke namen!—Amaimon klinkt goed,
Lucifer goed, Barbason goed; en toch dat zijn duivelentitels, namen van
booze geesten; maar hoorndrager! horenbeest! de duivel zelf heeft zulk
een naam niet!—Page is een ezel, een onnoozele ezel; hij wil zijn vrouw
vertrouwen! hij wil niet jaloersch wezen! Ik wil eer een Vlaming bij
mijn boter, den eerwaarden Walliser Hugo bij mijn kaas, een Ier bij
mijn brandewijnflesch of een dief voor het afrijden van mijn vosruin,
dan mijn vrouw aan haarzelf vertrouwen; want dan wordt er dadelijk
beraamd en overlegd en uitgevonden; en wat zij in haar hart hebben
voorgenomen, dat moet uitgevoerd worden, al zou haar hart er van
bersten!—Den hemel zij dank voor mijn ijverzucht!—Elf uur is de tijd;
ik zal dit voorkomen, mijn vrouw ontmaskeren, mij op Falstaff wreken,
en Page uitlachen. Dadelijk er op af! beter drie uren te vroeg dan één
minuut te laat!—Foei, foei, foei! Horen-, horen-, hoorndrager!
(Ford af.)