In het park van Windsor.
Cajus en Rugby komen op.
CAJUS. ’Ans Rugby!
RUGBY. Heer dokter!
CAJUS. Wat is de uur, ’Ans?
RUGBY. ’t Is over ’t uur, heer, dat Sir Hugo beloofd had hier te zijn.
CAJUS. Bij Kot, ’ij heeft kered zijn ziel, dat ’ij niet is koom; ’ij
’eeft zijn bijbel wel kebid, dat ’ij niet is koom. Bij Kot; ’Ans Rugby,
’ij is al dood, als ’ij is koom.
RUGBY. Hij is verstandig, heer; hij wist, dat uwe edele hem dooden zou,
als hij kwam.
CAJUS. Bij Kot, de ’arink is niet zoo dood, als ik hem wil dood maak.
Neem uw rapier, ’Ans, ik u wil demonstreer, ’oe ik ’em wil dood maak.
RUGBY. Ach, heer, ik kan niet schermen.
CAJUS. Skurkerij, neem uw rapier.
RUGBY. Stil, daar komen menschen.
(De waard, Zielig, Slapperman en Page komen op.)
WAARD. God zegen’ u, ijzerdokter!
ZIELIG. Gegroet, heer dokter Cajus!
PAGE. Zoo, beste heer dokter!
SLAPPERMAN. Goeden morgen, heer!
CAJUS. Waar zijt gij saam, één, twee, drie, vier, voor koom?
WAARD. Om u te zien vechten, te zien uitvallen, te zien traverseeren, u
hier te zien en daar te zien, uw punto’s, uw stoccado’s, uw reserven en
uw distanties, uw montanten te zien. Is hij al dood, mijn Ethiopiër? is
hij dood, mijn Francisco? ha, ijzervreter! Wat zegt mijn Esculaap? mijn
Galeen? mijn vlierboom-hart? Ha, is hij dood, mijn
waterkijk-ijzervreter, is hij dood?
CAJUS. Bij Kod, ’ij is de meest lafaard priest van de wereld, ’ij zijn
facie niet vertoon.
WAARD. Gij zijt een Kastiljaan, een koning Urinaal; een Hector van
Griekenland zijt gij, mijn jongen!
CAJUS. Ik u bid, getuig, dat ik ’eb gewakt zes of zeven, twee, drie uur
op ’em, en ’ij niet is koom.
ZIELIG. Hij is er wijzer om, heer dokter; hij is een geneesmeester van
de ziel en gij een geneesmeester van het lichaam; als gij vecht, gaat
dat tegen het haar in van uw beroepen. Is het zoo niet, heer Page?
PAGE. Gij zijt zelf, heer Zielig, een groot vechter geweest, al zijt
gij nu een man van den vrede. 45
ZIELIG. Sacrament, heer Page, al ben ik nu oud en van den vrede, als ik
een zwaard getrokken zie, dan jeuken mij de vingers om eens te trekken.
Al zijn wij vrederechters en dokters en mannen van de kerk, heer Page,
wij hebben toch nog iets van het zout onzer jeugd in ons; wij zijn
allen van vrouwen geboren, heer Page.
PAGE. Het is waar, heer Zielig.
ZIELIG. Het zal zoo bevonden worden, heer Page. Heer dokter Cajus, ik
ben gekomen om u naar huis te brengen. Ik ben voor den vrede beëedigd;
gij hebt u een wijs geneesheer betoond en Sir Hugo heeft zich een wijs
en verdraagzaam geestelijke betoond. Gij moet met mij gaan, heer
dokter.
WAARD. Met uw verlof, gast-vrederechter;—een woord, Monsieur
Zwetswater!
CAJUS. Zwetsewater? wat is dat?
WAARD. Zwetswater is in het Engelsch zooveel als dapperheid,
ijzervreter.
CAJUS. Bij Kod, dan ik ’eb evenveel zwetsewater als de Engelschman.—Die
schurftige ’Ans ’ond van een geestelijk! Bij Kod, ik wil ’em afsnijd
zijn oor.
WAARD. Hij zal u terdeeg toetakelen, ijzervreter!
CAJUS. Toetertakel? wat is dat?
WAARD. Dat is, hij zal u satisfactie geven.
CAJUS. Bij Kod, ik wil zork, dat ’ij mij zal toetertakel; want, bij
Kod, ik dat wil ’eb.
WAARD. En ik wil hem daartoe aanporren of hij mag opdrossen.
CAJUS. Ik u dank voor dat.
WAARD. En behalve dat, ijzervreter,—(Ter zijde tot de Anderen.) maar
eerst, gas-ijzervreter, en heer Page, en gij ook Cavaliero Slapperman,
gaat allen door de stad naar Frogmore.
PAGE (ter zijde tot den Waard). Daar is Sir Hugo, niet waar?
WAARD. Daar is hij; ziet eens, hoe hij gestemd is; ik zal intusschen
den dokter over ’t veld er heen brengen. Is het zoo goed?
ZIELIG. Goed, dat zullen wij doen.
PAGE, ZIELIG EN SLAPPERMAN. Goeden dag, beste heer dokter!
(Alle drie af.)
CAJUS. Bij Kod, ik die geestelijk wil slaan dood, want hij spreekt voor
een ’Ans aap bij Anna Page.
WAARD. Hij moet sterven. Maar steek nu uw boosheid in de schede; werp
koud water op uw gal, en ga met mij over ’t veld naar Frogmore. Ik wil
u brengen waar Anna Page is, op een pachthoeve, bij een feest, en daar
kunt gij haar het hof maken. Heb ik raak geschoten? Heb ik goed gezegd?
CAJUS. Bij Kod, ik u dank voor dat; bij Kod, ik u lief ’eb, en ik zal u
bezorg veel koed kast, de graven en de ridders, de lords en de
gentilhommes, mijn patiënten.
WAARD. En daarvoor wil ik uw weerpartij zijn bij Anna Page; kan ik meer
zeggen?
CAJUS. Bij Kod, ’t is koed, koed gezeg.
WAARD. Laat ons dan opdrossen.
CAJUS. Treed op mijn ’ielen, ’Ans Rugby.
(Alle drie af.)