FALSTAFF. Geld is een goed soldaat, heer, en dringt door. 176

FORD. Zoo is het; en ik heb hier een buidel met geld, die mij bezwaart;

als gij mij dien wilt helpen dragen, Sir John, zoo neem hem, heel of

half, om mij den last te verlichten.

FALSTAFF. Ik weet niet, heer, waarmee ik verdiend heb, uw lastdrager te

zijn.

FORD. Ik wil het u zeggen, Sir, als gij mijn gehoor wilt schenken.

FALSTAFF. Spreek, waarde heer Beek; het zal mij een genoegen wezen, u

van dienst te zijn.

FORD. Sir, ik hoor, dat gij een geleerde zijt,—ik wil kort zijn,—en gij

zijt reeds lang bij mij bekend, hoewel de gelegenheid nooit met mijn

verlangen, om met u kennis te maken, gelijken tred hield. Ik heb u een

zaak mede te deelen, waarin ik maar al te zeer mijn eigen zwakte u moet

blootleggen; maar, goede Sir John, terwijl gij het eene oog op mijne

dwaasheden richt, die ik u ontvouwen zal, moet gij het andere slaan in

het register van uw eigene, opdat ik te gemakkelijker vrij kom met een

berisping, daar gijzelf weet, hoe licht men in zulk een zonde vervalt.

FALSTAFF. Zeer goed, heer; ga voort.

FORD. Er is hier in de stad een vrouw, haar man heet Ford.

FALSTAFF. Jawel, heer.

FORD. Ik heb haar reeds lang bemind en, dit kan ik u verzekeren, veel

aan haar te koste gelegd, haar met smachtende hulde vervolgd, iedere

gelegenheid aangegrepen om haar te ontmoeten, ook het minste toeval in

pacht genomen, dat mij maar den vluchtigsten blik op haar kon doen

werpen, niet alleen vele geschenken voor haar gekocht, maar ook

rijkelijke fooien aan menigeen gegeven, om te weten te komen, welke

geschenken haar welgevallig zouden zijn. Kortom, ik heb haar vervolgd,

zooals de liefde mij vervolgde, namelijk met de wieken van iedere

gelegenheid. Maar wat ik ook voor mijn standvastigheid of voor mijn

opoffering moge verdiend hebben, loon, dit is zeker, is mij niet

geworden, tenzij ondervinding een kleinood te rekenen zij, want die heb

ik voor een ongehoorden prijs gekocht, en zij heeft mij geleerd te

zeggen:

Gelijk een schim vliedt liefde, als rijkdom haar vervolgt,

Vervolgt wat haar ontvliedt, ontvliedt wat haar vervolgt.

FALSTAFF. Hebt gij geen belofte van verhooring van haar ontvangen?

FORD. Nooit.

FALSTAFF. Hebt gij daarop bij haar aangedrongen?

FORD. Nooit.

FALSTAFF. Van welk een aard was dan uw liefde?

FORD. Zij geleek een schoon huis, op eens andermans grond gebouwd;

zoodat ik mijn gebouw verspeelde, door een verkeerd erf te kiezen om

het te stichten.

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 23 / 61 题