FORD. Zoo is het; en ik heb hier een buidel met geld, die mij bezwaart;
als gij mij dien wilt helpen dragen, Sir John, zoo neem hem, heel of
half, om mij den last te verlichten.
FALSTAFF. Ik weet niet, heer, waarmee ik verdiend heb, uw lastdrager te
zijn.
FORD. Ik wil het u zeggen, Sir, als gij mijn gehoor wilt schenken.
FALSTAFF. Spreek, waarde heer Beek; het zal mij een genoegen wezen, u
van dienst te zijn.
FORD. Sir, ik hoor, dat gij een geleerde zijt,—ik wil kort zijn,—en gij
zijt reeds lang bij mij bekend, hoewel de gelegenheid nooit met mijn
verlangen, om met u kennis te maken, gelijken tred hield. Ik heb u een
zaak mede te deelen, waarin ik maar al te zeer mijn eigen zwakte u moet
blootleggen; maar, goede Sir John, terwijl gij het eene oog op mijne
dwaasheden richt, die ik u ontvouwen zal, moet gij het andere slaan in
het register van uw eigene, opdat ik te gemakkelijker vrij kom met een
berisping, daar gijzelf weet, hoe licht men in zulk een zonde vervalt.
FALSTAFF. Zeer goed, heer; ga voort.
FORD. Er is hier in de stad een vrouw, haar man heet Ford.
FALSTAFF. Jawel, heer.
FORD. Ik heb haar reeds lang bemind en, dit kan ik u verzekeren, veel
aan haar te koste gelegd, haar met smachtende hulde vervolgd, iedere
gelegenheid aangegrepen om haar te ontmoeten, ook het minste toeval in
pacht genomen, dat mij maar den vluchtigsten blik op haar kon doen
werpen, niet alleen vele geschenken voor haar gekocht, maar ook
rijkelijke fooien aan menigeen gegeven, om te weten te komen, welke
geschenken haar welgevallig zouden zijn. Kortom, ik heb haar vervolgd,
zooals de liefde mij vervolgde, namelijk met de wieken van iedere
gelegenheid. Maar wat ik ook voor mijn standvastigheid of voor mijn
opoffering moge verdiend hebben, loon, dit is zeker, is mij niet
geworden, tenzij ondervinding een kleinood te rekenen zij, want die heb
ik voor een ongehoorden prijs gekocht, en zij heeft mij geleerd te
zeggen:
Gelijk een schim vliedt liefde, als rijkdom haar vervolgt,
Vervolgt wat haar ontvliedt, ontvliedt wat haar vervolgt.
FALSTAFF. Hebt gij geen belofte van verhooring van haar ontvangen?
FORD. Nooit.
FALSTAFF. Hebt gij daarop bij haar aangedrongen?
FORD. Nooit.
FALSTAFF. Van welk een aard was dan uw liefde?
FORD. Zij geleek een schoon huis, op eens andermans grond gebouwd;
zoodat ik mijn gebouw verspeelde, door een verkeerd erf te kiezen om
het te stichten.